ECLI:NL:CRVB:2018:2417
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Niet-ontvankelijkheid bezwaar wegens ontbreken besluit over resterende vordering bij bijstandslening
Appellante ontving vanaf mei 2013 bijstand in de vorm van een lening, welke zij later gedeeltelijk moest terugbetalen. Het college van burgemeester en wethouders van Veendam beëindigde de bijstand per 1 mei 2016 wegens het bereiken van de pensioengerechtigde leeftijd en meldde een openstaande vordering. Appellante maakte bezwaar tegen deze mededeling. Het college verklaarde het bezwaar niet-ontvankelijk omdat de mededeling geen besluit met rechtsgevolg is.
De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond, waarna appellante in hoger beroep ging. De Centrale Raad van Beroep bevestigt dat de mededeling over de hoogte van de resterende vordering geen besluit is in de zin van artikel 1:3 Awb Pro, omdat het geen nieuwe rechtsgevolgen beoogt maar slechts een mededeling betreft over een reeds bestaand besluit.
Hierdoor is het bezwaar terecht niet-ontvankelijk verklaard en komt de Raad niet toe aan inhoudelijke beoordeling. Het hoger beroep wordt afgewezen en de aangevallen uitspraak bevestigd.
Uitkomst: Het bezwaar tegen de mededeling over de hoogte van de resterende vordering is terecht niet-ontvankelijk verklaard omdat deze mededeling geen besluit is.