ECLI:NL:CRVB:2018:2434
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging niet-ontvankelijkheid beroep wegens niet-verschoonbare termijnoverschrijding bij ontzegging WW-uitkering
Appellante werd door het UWV het recht op een WW-uitkering ontzegd bij besluit van 3 mei 2011, en het bezwaar daarop werd ongegrond verklaard bij besluit van 1 september 2011. Appellante stelde op 5 mei 2017 beroep in tegen dit bestreden besluit, maar de rechtbank verklaarde dit beroep niet-ontvankelijk wegens overschrijding van de beroepstermijn zonder verschoonbare reden.
Appellante voerde in hoger beroep aan dat haar langdurige psychische klachten en de noodzaak van praktische begeleiding haar belemmerden om tijdig beroep in te stellen of hulp in te schakelen. De Raad stelde vast dat appellante tussen 4 juli 2011 en 5 januari 2012 intensieve deeltijdbehandelingen onderging en toen niet in staat was beroep in te stellen. Vanaf 4 januari 2012 was haar zelfredzaamheid echter voldoende hersteld, getuige haar regelmatige contacten met hulpverleners, het op orde brengen van haar financiën, het beschikken over woonruimte en haar voorzitterschap van een vrouwenvereniging.
De Raad concludeerde dat appellante pas in 2017 geïnformeerd werd over haar mogelijke recht op een uitkering en dat haar latere beroep mede het gevolg was van onbekendheid met de wet. De termijnoverschrijding was daarom niet verschoonbaar. Het hoger beroep werd afgewezen en de uitspraak van de rechtbank bevestigd.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt afgewezen en de niet-ontvankelijkverklaring van het beroep bevestigd wegens niet-verschoonbare termijnoverschrijding.