Appellante was werkzaam in een stomerij en viel in 2007 uit wegens gezondheidsklachten. Na de wachttijd van 104 weken kende het UWV een WIA-uitkering toe. In 2015 vond een herbeoordeling plaats waarbij een verzekeringsarts en arbeidsdeskundige concludeerden dat appellante nog ruim 97% van haar loon kon verdienen, waardoor de uitkering werd beëindigd.
Appellante maakte bezwaar tegen dit besluit en stelde onder meer dat haar duizeligheidsklachten ernstiger waren dan vastgesteld en dat zij onvoldoende Nederlands spreekt om passend werk te verrichten. De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond, stellende dat het medisch onderzoek zorgvuldig was en dat de taalbeheersing volgens de wet binnen zes maanden verworven kan worden.
In hoger beroep voerde appellante aan dat haar medische situatie en taalproblemen onvoldoende waren meegewogen. De Raad stelde vast dat de medische gegevens, inclusief een brief van de huisarts, onvoldoende onderbouwing boden voor een ander oordeel. Ook werd bevestigd dat de taalbeheersing een algemeen gebruikelijke bekwaamheid is die binnen zes maanden kan worden verworven.
De Centrale Raad van Beroep bevestigde daarom het bestreden besluit en de uitspraak van de rechtbank, waarmee het hoger beroep werd afgewezen.