ECLI:NL:CRVB:2018:2439
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Afwijzing verzoek toelating tot vrijwillige WW-verzekering wegens te late aanmelding
Appellante was werkloos geworden in mei 2004 en heeft meerdere malen een vrijwillige WW-verzekering aangevraagd en genoten. In 2015 vertrok zij naar Turkije om daar te werken en deed zij op 25 maart 2016 een verzoek tot toelating tot de vrijwillige WW-verzekering met terugwerkende kracht per 2 augustus 2015. Het UWV wees dit verzoek af omdat het niet binnen de wettelijke termijn van dertien weken na aanvang van de werkzaamheden in het buitenland was ingediend.
Appellante maakte bezwaar tegen deze afwijzing, maar het bezwaar werd ongegrond verklaard. De rechtbank verklaarde het beroep van appellante tegen dit besluit eveneens ongegrond, met als overweging dat appellante tijdig had kunnen aanvragen maar dit naliet uit kostenoverwegingen. Ook het beroep op het vertrouwensbeginsel werd verworpen omdat het UWV haar in 2012 wel degelijk had gewezen op de termijn.
In hoger beroep bevestigt de Centrale Raad van Beroep deze uitspraak. De Raad oordeelt dat appellante redelijkerwijs niet kan worden vrijgesteld van het verzuim vanwege de te late aanvraag. De eerdere coulance van het UWV in 2012 kan niet worden geacht een gerechtvaardigde verwachting te scheppen voor een vergelijkbare behandeling in 2016. Het beroep wordt daarom ongegrond verklaard en de aangevallen uitspraak bevestigd.
Uitkomst: Het verzoek van appellante tot toelating tot de vrijwillige WW-verzekering is terecht afgewezen wegens te late aanmelding.