ECLI:NL:CRVB:2018:2465
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Hoger beroep tegen vaststelling AOW-pensioen en partnertoeslag
Appellant heeft hoger beroep ingesteld tegen het besluit van de Sociale verzekeringsbank (Svb) dat hem een AOW-pensioen van 68% van het maximale pensioen toekende, vanwege niet-verzekerde jaren tussen 1969 en 1979 en het niet toekennen van een partnertoeslag. De Svb voerde aan dat appellant niet verzekerd was in de genoemde periode en dat het recht op partnertoeslag was komen te vervallen per 1 januari 2015.
De Raad stelde vast dat appellant met ingang van april 2015 recht heeft op een AOW-pensioen van 72% van het maximale pensioen, omdat nadere gegevens aantoonden dat appellant over een deel van de periode wel verzekerd was. Het onderzoek van de Svb naar verblijf en werkzaamheden in Nederland werd als zorgvuldig beoordeeld. Appellant kon niet aannemelijk maken dat hij dezelfde persoon is als in de overgelegde oudere documenten en dat hij in de jaren 1969-1979 verzekerd was.
De Raad vernietigde het eerdere besluit over het pensioenpercentage van 68% en verklaarde het beroep gegrond, maar verklaarde het beroep tegen het latere besluit van 6 februari 2017 ongegrond. Het recht op partnertoeslag werd terecht geweigerd omdat appellant pas na 1 januari 2015 pensioengerechtigd werd. Verzoeken tot vergoeding van proceskosten werden afgewezen wegens onvoldoende onderbouwing.
Uitkomst: Het AOW-pensioen is verhoogd naar 72% van het maximale pensioen, maar het recht op partnertoeslag is geweigerd.