ECLI:NL:CRVB:2018:2488
Centrale Raad van Beroep
- Eerste en enige aanleg
- Rechtspraak.nl
Afwijzing verzoek nieuwe vaststelling Wubo-uitkering wegens onvoldoende aannemelijkheid vermogensvermindering buiten invloedsfeer
Appellante, erkend als burger-oorlogsslachtoffer met een Wubo-uitkering, heeft een verzoek ingediend voor een nieuwe vaststelling van haar uitkering vanwege een aanzienlijke vermogensvermindering. Deze vermindering zou volgens haar grotendeels zijn veroorzaakt door hoge advocaat- en notariskosten en het aanspreken van het vermogen over de jaren.
De Sociale verzekeringsbank had het vermogen eerder definitief vastgesteld, rekening houdend met advocaat- en notariskosten die gemaakt zijn ter verkrijging van de erfenis. Het bezwaar van appellante tegen de gehanteerde vermogenshoogte werd ongegrond verklaard omdat niet is gebleken dat de kosten uitsluitend verband hielden met de erfenis, maar ook voortkwamen uit familieruzies.
De Raad concludeert dat de vermogensachteruitgang is veroorzaakt door uitgaven die niet uit het normale inkomen konden worden gedaan, zonder dat aannemelijk is gemaakt dat deze buiten de invloedsfeer van appellante liggen. Hierdoor is geen grond voor toepassing van de anti-hardheidsbepaling in artikel 60, eerste lid, aanhef en onder b, van de Wubo.
Het beroep wordt daarom ongegrond verklaard en het bestreden besluit blijft in stand. Er wordt geen proceskostenveroordeling uitgesproken.
Uitkomst: Het beroep wordt ongegrond verklaard en het bestreden besluit blijft in stand.