Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:CRVB:2018:249

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
15 januari 2018
Publicatiedatum
26 januari 2018
Zaaknummer
16/1055 WMO
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Wet maatschappelijke ondersteuning
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Herziening persoonsgebonden budget scootmobiel wegens te laag bedrag

Appellant had een persoonsgebonden budget (pgb) toegekend gekregen voor een scootmobiel op grond van de Wet maatschappelijke ondersteuning, maar vond het toegekende bedrag te laag en wilde een scootmobiel met vier wielen in plaats van drie. Na hoger beroep en aanvullend medisch onderzoek adviseerde de medisch adviseur dat appellant medisch gezien gebruik kan maken van een scootmobiel met drie wielen met extra vering en dat er geen medische noodzaak is voor het meenemen van een hulphond op de scootmobiel.

De Raad oordeelde dat het pgb voor de scootmobiel en het onderhoud te laag was vastgesteld en vernietigde het eerdere besluit. Vervolgens stelde de Raad zelf het pgb vast op een totaalbedrag van €3.751,35 voor een periode van acht jaar, inclusief reparatie en onderhoud. Het verzoek om schadevergoeding werd afgewezen wegens onvoldoende onderbouwing.

De Raad bepaalde dat het pgb in één keer moet worden uitbetaald en dat appellant de besteding moet verantwoorden. Tevens werd het griffierecht vergoed. De uitspraak werd gedaan door R.M. van Male op 15 januari 2018.

Uitkomst: Het pgb voor de scootmobiel wordt vastgesteld op €3.751,35 en het eerdere besluit wordt vernietigd.

Uitspraak

16.1055 WMO

Centrale Raad van Beroep
Enkelvoudige kamer
Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag van
5 januari 2016, 15/5212 (aangevallen uitspraak) en uitspraak op het verzoek om veroordeling tot vergoeding van schade
Partijen:
[Appellant] te [woonplaats] (appellant)
het college van burgemeester en wethouders van Delft (college)
Datum uitspraak: 15 januari 2018
PROCESVERLOOP
Appellant heeft hoger beroep ingesteld.
Het college heeft een verweerschrift en nadere stukken ingediend.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 4 januari 2017. Appellant is verschenen. Het college heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. B. te Vrede. De Raad heeft het onderzoek ter zitting geschorst.
Partijen hebben nadere stukken ingediend.
Het onderzoek ter zitting is voortgezet op 4 december 2017. Appellant is verschenen. Het college heeft zich met kennisgeving niet laten vertegenwoordigen.

OVERWEGINGEN

1. De Raad gaat uit van de volgende feiten en omstandigheden.
1.1.
Het college heeft appellant bij besluit van 3 juli 2014 in aanmerking gebracht voor een scootmobiel in de vorm van een persoonsgebonden budget (pgb) op grond van het bepaalde bij en krachtens de Wet maatschappelijke ondersteuning. Daaraan is ten grondslag gelegd dat appellant door zijn (lichamelijke) beperkingen niet (geheel) in staat is om in zijn lokale vervoersbehoefte te voorzien. Het college heeft het pgb voor de scootmobiel verleend voor de duur van minimaal acht jaar tot een bedrag van € 1.228,41 en voor de kosten van reparatie en onderhoud tot een bedrag van € 190,80 per jaar.
1.2.
Bij besluit van 9 juni 2015 (bestreden besluit) heeft het college, voor zover van belang, het bezwaar tegen het besluit van 3 juli 2014 ongegrond verklaard.
2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard.
3. Appellant heeft de aangevallen uitspraak gemotiveerd bestreden.
4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.
4.1.
Het college heeft in hoger beroep alsnog medisch onderzoek laten verrichten naar de lichamelijke beperkingen van appellant. Arts/medisch adviseur E. Leenman van bureau Sciopeng heeft op 25 juli 2017 aan het college advies uitgebracht. Het advies luidt dat appellant beperkt is in het gebruik van een balansvoertuig en een scootmobiel zonder adequate vering. Hij wordt langdurig in staat geacht gebruik te kunnen maken van een scootmobiel met extra vering. Er is geen medische noodzaak of voorkeur voor drie of vier wielen vastgesteld.
4.2.
Appellant heeft aangevoerd dat een scootmobiel met drie wielen voor hem niet geschikt is omdat hij op een dergelijke scootmobiel zijn evenwicht niet kan bewaren en omdat hij zijn hond niet op een dergelijke scootmobiel kan meenemen. Daarom wenst hij een scootmobiel met vier wielen.
4.3.
Dit betoog slaagt niet. De Raad ziet geen aanleiding om te twijfelen aan het oordeel van de medisch adviseur dat appellant van een scootmobiel met drie wielen medisch gezien gebruik kan maken. Voorts is niet gebleken dat appellant op medische gronden is aangewezen op het meenemen van een hulphond op een scootmobiel.
4.4.
Uit de gedingstukken blijkt dat de tegenwaarde van een in natura verstrekte scootmobiel met drie wielen voor intensief gebruik met extra vering € 1.732,15 bedraagt en die van de reparatie en het onderhoud € 254,40 per jaar. Het college heeft dit bij brief van 19 september 2017 erkend.
4.5.
Uit 4.4. volgt dat het pgb tot een te laag bedrag is verleend. Dit betekent dat de aangevallen uitspraak voor vernietiging in aanmerking komt. De Raad zal, doende wat de rechtbank zou behoren te doen, het beroep gegrond verklaren en het bestreden besluit vernietigen. De Raad ziet aanleiding zelf in de zaak te voorzien door het besluit van
3 juli 2014 te herroepen en te bepalen dat aan appellant voor de scootmobiel een pgb van eenmalig € 1.732,15 wordt verleend en voor de kosten van reparatie en onderhoud van
8 maal € 252,40 is € 2.019,20 voor de duur van acht jaar, in totaal € 3.751,35.
4.6.
In dit geding ten overvloede en ter voorlichting van partijen voegt de Raad hieraan toe dat dit pgb in een keer dient te worden uitbetaald en dat appellant de besteding ervan dient te verantwoorden.
5. Het verzoek om schadevergoeding wordt afgewezen, omdat de gestelde schade niet met stukken objectief, concreet en verifieerbaar is onderbouwd.
6. Van proceskosten die voor vergoeding in aanmerking komen is niet gebleken.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep
  • vernietigt de aangevallen uitspraak;
  • verklaart het beroep gegrond en vernietigt het bestreden besluit;
  • herroept het besluit van 3 juli 2014;
  • bepaalt dat aan appellant een pgb van € 3.751,35 wordt verleend;
  • wijst het verzoek om vergoeding van schade af;
  • bepaalt dat het college het in beroep en hoger beroep betaalde griffierecht van in totaal
Deze uitspraak is gedaan door R.M. van Male, in tegenwoordigheid van J.R. Trox als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 15 januari 2018.
(getekend) R.M. van Male
(getekend) J.R. Trox

TM