ECLI:NL:CRVB:2018:2536
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging terugvordering persoonsgebonden budget wegens contante betaling zorgverlener
Het Zorgkantoor verleende aan appellante voor 2014 een persoonsgebonden budget (pgb) van €46.623,71. Appellante verantwoorde de besteding van dit bedrag aan drie zorgverleners, waaronder een zorgverlener die contant betaald werd. Het Zorgkantoor accepteerde niet het volledige bedrag van de verantwoorde kosten vanwege het ontbreken van objectieve betalingsbewijzen voor de contante betalingen.
Bij besluit van 13 januari 2016 stelde het Zorgkantoor het pgb lager vast en vorderde een bedrag van €11.769,17 terug. Appellante stelde beroep in tegen dit besluit, waarbij zij onder meer een nadere belastingaangifte over 2014 overlegde waarin hogere inkomsten uit het pgb werden opgegeven.
De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond, en de Centrale Raad van Beroep bevestigde deze uitspraak. De Raad oordeelde dat het Zorgkantoor terecht een belangenafweging maakte en dat de bewijslast voor de contante betalingen volledig op appellante rustte. De hogere belastingaangifte bood onvoldoende bewijs om het verantwoorde bedrag te verhogen. Er was geen aanleiding om het teruggevorderde bedrag te verminderen of het besluit te vernietigen.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en het teruggevorderde bedrag van het pgb blijft gehandhaafd.