ECLI:NL:CRVB:2018:2543
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Beoordeling weigering WIA-uitkering wegens onvoldoende arbeidsongeschiktheid
Appellante, voormalig medewerkster bij een bloemenveiling, meldde zich ziek met paniekklachten en vroeg een WIA-uitkering aan. Het UWV stelde na medisch en arbeidskundig onderzoek vast dat zij minder dan 35% arbeidsongeschikt was en weigerde de uitkering.
De rechtbank verklaarde het beroep van appellante ongegrond en oordeelde dat het verzekeringsgeneeskundig onderzoek zorgvuldig was en dat de geselecteerde functies passend waren. In hoger beroep voerde appellante aan dat haar beperkingen onderschat waren, dat de verzekeringsarts bevooroordeeld was en dat de functies niet geschikt waren vanwege taalproblemen.
De Centrale Raad van Beroep oordeelde dat er geen aanwijzingen zijn dat de beperkingen onjuist zijn ingeschat. De medische stukken en rapporten ondersteunen de conclusie dat de situatie op de peildatum niet ernstiger was dan vastgesteld. De geselecteerde functies zijn medisch geschikt en mondelinge beheersing van de Nederlandse taal wordt als algemeen gebruikelijke bekwaamheid beschouwd.
Het hoger beroep wordt verworpen en de eerdere uitspraak bevestigd. Er is geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt dat appellante geen recht heeft op een WIA-uitkering wegens onvoldoende arbeidsongeschiktheid.