ECLI:NL:CRVB:2018:2552

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
16 augustus 2018
Publicatiedatum
16 augustus 2018
Zaaknummer
16/7586 AOW
Type
Uitspraak
Uitkomst
Deels toewijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 6:19 AwbArt. 6:24 AwbArt. 8 AOW
Verwijzingen
4 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoger beroep tegen korting AOW-uitkering en weigering partnertoeslag

Appellant, geboren in 1950, heeft hoger beroep ingesteld tegen een besluit van de Sociale verzekeringsbank (Svb) dat zijn AOW-uitkering met 66% korting toekent wegens niet-verzekerde periodes. De Svb paste de korting later aan naar 62%, wat resulteerde in een pensioen van 38% van het volledige bedrag. Appellant betwistte de korting en de weigering van een partnertoeslag.

De Centrale Raad van Beroep oordeelde dat appellant onvoldoende bewijs leverde dat hij in de betwiste periodes verzekerd was voor de AOW. Documenten die appellant aanvoerde, zoals een verklaring van een fabriek en inschrijving bij een ziekenfonds, waren onvoldoende overtuigend en konden betrekking hebben op een andere persoon met dezelfde achternaam. Bovendien stelde appellant zelf dat hij pas in september 1990 voor het eerst in Nederland kwam.

Daarom is vastgesteld dat appellant 31 jaar niet verzekerd was, wat de korting van 62% rechtvaardigt. De Raad vernietigde eerdere uitspraken en besluiten voor zover die de niet-verzekerde periodes betroffen, maar verklaarde het beroep tegen het aangepaste besluit van 7 februari 2017 ongegrond. Ten aanzien van de partnertoeslag oordeelde de Raad dat appellant niet aan de wettelijke voorwaarden voldoet, omdat hij pas vanaf oktober 2015 recht heeft op AOW en niet vóór 1 januari 2015 was gehuwd.

De Raad bevestigde de weigering van de partnertoeslag en wees het beroep daarop af. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd, maar appellant kreeg het betaalde griffierecht vergoed.

Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep verklaart het beroep gegrond voor de niet-verzekerde periodes en ongegrond voor de partnertoeslag, met een AOW-uitkering van 38%.

Uitspraak

16.7586 AOW, 18/3846 AOW

Centrale Raad van Beroep
Enkelvoudige kamer
Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van
11 november 2016, 16/3063 (aangevallen uitspraak)
Partijen:
[appellant] te [woonplaats] (Marokko) (appellant)
de Raad van bestuur van de Sociale verzekeringsbank (Svb)
Datum uitspraak: 16 augustus 2018
PROCESVERLOOP
Appellant heeft hoger beroep ingesteld.
De Svb heeft een verweerschrift ingediend.
De Svb heeft vragen beantwoord en nadere stukken ingezonden. Daarbij is een nieuw besluit van 7 februari 2017 overgelegd.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 19 juli 2018. Appellant is niet verschenen. De Svb heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. M. Sturmans.

OVERWEGINGEN

1.1.
Appellant is geboren in 1950 en is sinds 1970 gehuwd met [naam echtgenote], geboren in 1951. Bij besluit van 1 december 2015 heeft de Svb aan appellant met ingang van
1 oktober 2015 een ouderdomspensioen ingevolge de Algemene Ouderdomswet (AOW) toegekend. Op het pensioen is een korting toegepast van 66% omdat appellant niet verzekerd is voor de AOW in de periodes van 1 oktober 1965 tot en met 9 september 1990, van
31 maart 1993 tot en met 31 december 1999 en van 1 januari 2014 tot en met 30 september 2015.
1.2.
Tegen dit besluit is bezwaar gemaakt op de grond dat ten onrechte geen partnertoeslag is toegekend en dat het toegekende AOW-pensioen te laag is. Daarbij is aangevoerd dat appellant over de jaren 2000 tot en met 2015 premie voor de vrijwillige verzekering AOW/ANW heeft betaald.
1.3.
Bij beslissing op bezwaar van 7 april 2016 (besluit 1) is het bezwaar tegen het besluit van 1 december 2015 ongegrond verklaard.
2. De rechtbank heeft het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard.
3. Appellant heeft in hoger beroep herhaald dat hij recht heeft op een hoger pensioen en op een partnertoeslag.
4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.
Ten aanzien van het AOW-pensioen
4.1.1.
Bij beslissing op bezwaar van 7 februari 2017 (besluit 2) heeft de Svb met ingang van
1 oktober 2015 het AOW-pensioen aangepast naar een toekenningspercentage van 38%. Daarbij is appellant alsnog verzekerd geacht over de periode van 1 januari 2014 tot en met 30 september 2015 in verband met het betalen van premies voor de vrijwillige verzekering AOW/ANW over die jaren.
4.1.2.
Met het gewijzigde besluit 2 is niet volledig aan het beroep van appellant tegemoet gekomen. Besluit 2 wordt daarom, gelet op de artikelen 6:19 en 6:24 van de Algemene wet bestuursrecht, mede in de beoordeling betrokken.
4.1.3.
Tussen partijen is in geschil of appellant als verzekerde voor de AOW is aan te merken gedurende de periodes van 1 oktober 1965 tot en met 9 september 1990 en van 31 maart 1993 tot en met 31 december 1999.
4.1.4.
Appellant heeft niet met stukken onderbouwd dat hij gedurende deze tijdvakken verzekerd is geweest voor de AOW. Aan de verklaring van 23 oktober 1978 van [fabriek] kan geen betekenis worden toegekend, nu hierin geen geboortedatum staat vermeld. Bij de Svb zijn meerdere personen bekend met dezelfde achternaam als appellant, die in de geding zijnde perioden werkzaamheden in Nederland hebben verricht. Hierdoor is niet uit te sluiten dat genoemde verklaring een andere persoon betreft dan appellant.
4.1.5.
Evenmin wordt doorslaggevende betekenis toegekend aan het bewijs van inschrijving van het ziekenfonds van juni 1978. Daarvoor wordt beslissend geacht dat appellant bij de aanvraag om een WAO-uitkering heeft gesteld dat hij op 1 september 1990 voor het eerst naar Nederland is gekomen.
4.1.6.
Hieruit volgt dat appellant 31 jaar niet verzekerd is geweest voor de AOW en dat de korting op het AOW-pensioen 62% bedraagt. De Svb heeft aan appellant terecht een AOW-pensioen toegekend van 38%.
4.1.7.
Uit 4.1.1 tot en met 4.1.6 volgt dat de aangevallen uitspraak en besluit 1 vernietigd moeten worden, voor zover daarbij een beslissing is genomen ten aanzien van de niet verzekerde periodes. Het beroep tegen besluit 2 dient ongegrond te worden verklaard.
Ten aanzien van de partnertoeslag
4.2.1.
Verder is tussen partijen nog in geschil of de rechtbank terecht het standpunt van de Svb heeft onderschreven ten aanzien van het niet toekennen van de partnertoeslag.
4.2.2.
In artikel 8, eerste lid, van de AOW is, voor zover van belang, bepaald dat de pensioengerechtigde die voor 1 januari 2015 is gehuwd en voor die datum recht heeft op ouderdomspensioen en van wie de echtgenoot jonger is dan de pensioengerechtigde leeftijd, overeenkomstig de bepalingen van deze wet recht heeft op een toeslag. Nu appellant eerst met ingang van oktober 2015 recht heeft op een ouderdomspensioen, voldoet hij niet aan de in artikel 8, eerste lid van de AOW vermelde voorwaarden.
4.3.
Hieruit volgt dat het hoger beroep ten aanzien van de partnertoeslag niet slaagt. Dit betekent dat de aangevallen uitspraak voor het overige dient te worden bevestigd.
5. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep
- vernietigt de aangevallen uitspraak, voor zover deze de niet verzekerde periodes betreft;
- verklaart het beroep gegrond en vernietigt besluit 1 in zoverre;
- bevestigt de aangevallen uitspraak voor het overige;
- verklaart het beroep tegen besluit 2 ongegrond;
- bepaalt dat de Svb aan appellant het betaalde griffierecht van in totaal € 170,- vergoedt.
Deze uitspraak is gedaan door M.M. van der Kade, in tegenwoordigheid van
R.P.W. Jongbloed als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op
16 augustus 2018.
(getekend) M.M. van der Kade
(getekend) R.P.W. Jongbloed
Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen zes weken na de datum van verzending beroep in cassatie instellen bij de Hoge Raad der Nederlanden (Postbus 20303, 2500 EH Den Haag) ter zake van schending of verkeerde toepassing van bepalingen over het begrip verzekerde.

CVG