Uitspraak
16.7506 PW
28 oktober 2016, 16/4429 (aangevallen uitspraak)
Centrale Raad van Beroep
Appellante diende op 1 februari 2016 een aanvraag in voor bijzondere bijstand op grond van de Participatiewet voor de kosten van een huurschuld. Het college van burgemeester en wethouders van Amsterdam wees deze aanvraag bij besluit van 10 februari 2016 af, omdat bijzondere bijstand voor schulden op grond van artikel 13, eerste lid, aanhef en onder g, van de Participatiewet niet mogelijk is, tenzij er zeer dringende redenen zijn.
De rechtbank verklaarde het beroep tegen dit besluit ongegrond. In hoger beroep voerde appellante aan dat er sprake was van een dreigende huisuitzetting op korte termijn en dat schuldhulpverlening niet tijdig kon worden ingeschakeld vanwege een grote schuld aan de Belastingdienst. De huurschuld was ontstaan tijdens een echtscheidingsprocedure, waarbij haar ex-echtgenoot stopte met huurbetaling.
De Raad oordeelde dat appellante niet aannemelijk had gemaakt dat het onmogelijk was om schuldhulpverlening in te schakelen. De kantonrechter had de huurovereenkomst ontbonden met een termijn van één maand om te betalen, zodat er nog tijd was om hulp te vragen. Bovendien had appellante de ontruiming met leningen van derden weten af te wenden. Dat appellante geen verwijt treft voor de huurschuld maakt dit niet anders.
Daarom bevestigde de Centrale Raad van Beroep het bestreden besluit en de uitspraak van de rechtbank. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt de afwijzing van bijzondere bijstand wegens het ontbreken van zeer dringende redenen.