ECLI:NL:CRVB:2018:2569

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
1 augustus 2018
Publicatiedatum
20 augustus 2018
Zaaknummer
17/5825 WIA
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Proces-verbaal
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 6:19 AwbArt. 4 Wet WIA
Verwijzingen
5 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bevestiging loongerelateerde WGA-uitkering en afwijzing IVA-uitkering na herbeoordeling

Appellant, werkzaam als medewerker binnen een afdeling, kreeg na ziekmelding in 2013 een loongerelateerde WGA-uitkering toegekend met een arbeidsongeschiktheidspercentage van 41,06%, vastgesteld door het UWV bij besluit van 5 oktober 2015 en gehandhaafd bij bezwaar. De rechtbank verklaarde het beroep van appellant tegen dit besluit ongegrond.

Appellant verzocht vervolgens om herbeoordeling, waarop het UWV bij besluit van 5 september 2017 vaststelde dat zijn arbeidsongeschiktheid was toegenomen tot 100%, maar de loongerelateerde WGA-uitkering ongewijzigd bleef. Dit latere besluit werd niet betrokken in het hoger beroep omdat het buiten de grondslag en reikwijdte van de oorspronkelijke aanvraag viel.

De Raad oordeelde dat het medisch onderzoek zorgvuldig was uitgevoerd, waarbij de verzekeringsarts meerdere medische disciplines en rapporten heeft betrokken. De claim van appellant dat hij volledig en duurzaam arbeidsongeschikt is, werd niet gevolgd vanwege onvoldoende onderbouwing. De geselecteerde functies werden als passend beoordeeld. Gezien het arbeidsongeschiktheidspercentage onder 80% was een bespreking van duurzaamheid niet vereist. Het hoger beroep werd daarom ongegrond verklaard.

Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en de loongerelateerde WGA-uitkering van 41,06% bevestigd, IVA-uitkering afgewezen.

Uitspraak

17.5825 WIA-PV

Centrale Raad van Beroep
Enkelvoudige kamer
Proces-verbaal van de mondelinge uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Limburg van 14 juli 2017, 16/1392 (aangevallen uitspraak)
Partijen:
[appellant] te [woonplaats] (appellant)
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)
[werkgever] te [vestigingsplaats] (werkgever)
Datum uitspraak: 1 augustus 2018
Zitting heeft: mr. I.M.J. Hilhorst-Hagen
Griffier: Y. Azirar
Ter zitting zijn verschenen:
mr. drs. C.M.J.E.P. Meerts, gemachtigde van appellant,
drs. R. Spanjer, vertegenwoordiger van het Uwv,
mr. S.C.M.A. Gommans, namens [werkgever] (werkgever).

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.
Deze beslissing is uitgesproken in het openbaar. Zij is gebaseerd op de volgende overwegingen:
Appellant is werkzaam geweest als medewerker [afdeling]. Naar aanleiding van een ziekmelding in 2013 heeft het Uwv bij besluit van 5 oktober 2015, gehandhaafd bij een besluit op bezwaar van 24 maart 2016 (bestreden besluit), vastgesteld dat appellant met ingang van 5 oktober 2015, tot en met 4 december 2018, recht heeft op een loongerelateerde WGA‑uitkering op grond van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (Wet WIA), waarbij de mate van arbeidsongeschiktheid is vastgesteld op 41,06%.
Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep van appellant tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard.
Appellant heeft het Uwv op 31 januari 2017 verzocht om een herbeoordeling. Het Uwv heeft bij besluit van 5 september 2017 vastgesteld dat appellant vanaf 31 januari 2017 minder arbeidsgeschikt is dan voorheen, de mate van arbeidsongeschiktheid is 100%. De hoogte van de loongerelateerde WGA‑uitkering wijzigt niet. Appellant heeft geen bezwaar gemaakt tegen het besluit van 5 september 2017.
De Raad stelt vast dat appellant zich, gelet op het verhandelde ter zitting, op het standpunt stelt dat zijn procesbelang erin gelegen is dat hij vanaf 5 oktober 2015 volledig en duurzaam arbeidsongeschikt is en dat het Uwv hem een IVA‑uitkering had moeten toekennen. De gemachtigde van appellant heeft de Raad verzocht het besluit van 5 september 2017 bij de beoordeling in hoger beroep te betrekken.
De Raad oordeelt vooreerst dat het besluit van 5 september 2017 niet op grond van artikel 6:19 van Pro de Algemene wet bestuursrecht (Awb) in de beoordeling kan worden betrokken, omdat dit besluit ziet op een latere datum in geding en buiten de grondslag en reikwijdte van de aanvraag om herbeoordeling valt.
Terecht heeft de rechtbank overwogen dat het medisch onderzoek voldoende zorgvuldig is geweest. Daartoe wordt overwogen dat de verzekeringsarts appellant op het spreekuur heeft gezien, lichamelijk en psychisch onderzoek heeft verricht en bij zijn beoordeling informatie van de behandelend cardioloog en neuroloog heeft betrokken. De verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft appellant op de hoorzitting gezien en heeft kennis genomen van in bezwaar (na de hoorzitting) toegezonden medische stukken, waaronder van de radioloog en de maag-, darm- en leverarts. De gedingstukken geven geen aanleiding tot twijfel aan de juistheid van de door de verzekeringsarts (bezwaar en beroep) getrokken conclusies. De verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft in zijn rapport van 16 februari 2016 inzichtelijk gemotiveerd waarom appellant niet kan worden gevolgd in zijn claim dat hij volledig arbeidsongeschikt is, dan wel meer beperkingen heeft. De verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft bij rapport van 23 januari 2017 inzichtelijk uiteengezet waarom bedrijfsarts/medisch adviseur H. Thissen niet gevolgd kan worden in zijn bevindingen. Voorts leidt de Raad uit een e-mail van appellant van 4 april 2017 aan zijn gemachtigde af dat de door appellant geraadpleegde deskundige van Ergatis de door hem gestelde verdergaande beperkingen evenmin heeft kunnen onderbouwen.
Uitgaande van de juistheid van de Functionele Mogelijkhedenlijst van 1 september 2015 zijn de voor appellant geselecteerde functies gelet op de daaraan verbonden belastende aspecten voor appellant in medisch opzicht als passend aan te merken. Op het Resultaat functiebeoordeling en de arbeidskundige rapporten is dit inzichtelijk en overtuigend toegelicht.
Gelet op artikel 4 van Pro de Wet WIA behoeft de duurzaamheid van de beperkingen geen bespreking nu de mate van arbeidsongeschiktheid minder dan 80% is.
Gelet op het voorgaande treft het hoger beroep geen doel.
Waarvan proces-verbaal.
De griffier De voorzitter
(getekend) Y. Azirar (getekend) I.M.J. Hilhorst-Hagen
SSa