ECLI:NL:CRVB:2018:2575
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging intrekking en terugvordering bijstand wegens inkomsten uit oplichting en hennepteelt
Appellant en zijn ex-partner ontvingen bijstand sinds maart 2010. In november 2014 trof de politie een hennepkwekerij aan bij appellant en stelde hij zich als verdachte op in negen oplichtingszaken. Het college trok de bijstand in voor de periode van maart tot november 2014 en vorderde de teveel betaalde bijstand terug, omdat appellant inkomsten uit strafbare feiten niet had gemeld.
De rechtbank verklaarde het beroep tegen dit besluit ongegrond. In hoger beroep voerde appellant aan dat zijn inkomsten uit oplichting lager waren dan vastgesteld en dat hij de hennepteelt niet hoefde te melden omdat deze voor eigen gebruik was. De Raad oordeelde dat het college op basis van politieonderzoek en proces-verbaal mocht uitgaan van hogere inkomsten en dat appellant de inlichtingenplicht had geschonden door de hennepteelt niet te melden.
De Raad verwierp het beroep op dringende redenen om terugvordering te matigen, omdat appellant onvoldoende aannemelijk maakte dat de terugvordering onaanvaardbare sociale of financiële gevolgen zou hebben. Het hoger beroep werd daarom afgewezen en de aangevallen uitspraak bevestigd.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en de intrekking en terugvordering van bijstand bevestigd.