ECLI:NL:CRVB:2018:2589
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging weigering WIA-uitkering wegens onvoldoende arbeidsongeschiktheid
Appellante, werkzaam als verkoopmedewerker, meldde zich ziek vanwege psychische klachten en vroeg een WIA-uitkering aan. Het UWV besloot dat zij minder dan 35% arbeidsongeschikt was en wees de uitkering af op basis van medische en arbeidsdeskundige rapporten.
Appellante maakte bezwaar en voerde aan dat zij wegens een ernstige depressie niet in staat was 20 tot 25 uur per week te werken en dat het medisch onderzoek onvoldoende zorgvuldig was. De voorzieningenrechter verklaarde het beroep ongegrond en oordeelde dat het medisch onderzoek en de motivering van het UWV voldoende waren.
In hoger beroep herhaalde appellante haar bezwaren en vroeg zij om een onafhankelijke deskundige. De Centrale Raad van Beroep oordeelde dat het medisch onderzoek zorgvuldig was uitgevoerd, de motivering toereikend was en dat geen nieuwe medische informatie was aangeleverd die een andere conclusie rechtvaardigde.
De Raad bevestigde dat appellante geschikt is voor de door de arbeidsdeskundige aangeduide functies en dat de urenbeperking van 20 tot 25 uur per week passend is. De aangevallen uitspraak van de voorzieningenrechter werd daarmee bekrachtigd en de WIA-uitkering geweigerd.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt de weigering van de WIA-uitkering vanwege onvoldoende arbeidsongeschiktheid en passende urenbeperking.