Uitspraak
17.1850 PW, 17/3626 PW
OVERWEGINGEN
BESLISSING
- bevestigt de aangevallen uitspraken, voor zover aangevochten;
- wijst het verzoek om veroordeling tot vergoeding van schade af.
Centrale Raad van Beroep
Appellant ontving een WIA-uitkering en aanvullende bijstand op grond van de Participatiewet. Vanaf 1 juli 2015 werkte hij in Duitsland en huurde daar een woning. Het college beëindigde de bijstand per 1 oktober 2015 toen appellant een regulier arbeidscontract kreeg en in Duitsland woonde.
Op 15 oktober 2015 werd appellant opgenomen in een Duits ziekenhuis en ontslagen uit zijn proeftijd. Hij keerde op 4 november 2015 terug naar Nederland. Het college kende bijstand toe vanaf die datum, maar weigerde bijstand over de periode dat appellant in Duitsland verbleef en weigerde bijzondere bijstand voor de ziekenhuisopname in Duitsland.
De rechtbanken oordeelden dat het centrum van het maatschappelijk leven van appellant vanaf 1 oktober 2015 in Duitsland was, zodat bijstand terecht pas na terugkeer werd toegekend. Ook werd het territorialiteitsbeginsel toegepast voor bijzondere bijstand, waarbij geen acute noodsituatie was aangetoond.
De Centrale Raad van Beroep bevestigt deze uitspraken en wijst het verzoek om schadevergoeding af. De Raad overweegt dat het aan appellant is om aannemelijk te maken dat sprake is van een acute noodsituatie, wat niet is gebeurd. Ook is geen hogere vergoeding voor kosten bezwaar toegekend omdat het om één bezwaarprocedure ging.
De uitspraak bevestigt het belang van het territorialiteitsbeginsel en het criterium van het centrum van het maatschappelijk leven bij het bepalen van de woonplaats voor bijstandsverlening.
Uitkomst: Bijstand wordt geweigerd over de periode van verblijf in Duitsland en bijzondere bijstand voor ziekenhuisopname in Duitsland wordt afgewezen.