ECLI:NL:CRVB:2018:2667
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging geen recht op ziekengeld wegens geschiktheid voor maatgevende arbeid
Appellante was werkzaam als schoonmaakster in een detentiecentrum en meldde zich ziek met diverse klachten waaronder sarcoïdose. Het UWV stelde vast dat zij geschikt was voor haar maatgevende arbeid en beëindigde het recht op ziekengeld. De rechtbank verklaarde het beroep van appellante ongegrond.
In hoger beroep voerde appellante aan dat haar medische situatie, waaronder longklachten en vermoeidheid, onvoldoende was meegewogen en dat zij haar werk niet meer kon verrichten vanwege de stoffige omgeving. Het UWV legde rapporten van verzekeringsartsen en een arbeidsdeskundige over ter onderbouwing van haar geschiktheid.
De Raad oordeelde dat het UWV zorgvuldig had gehandeld, dat de medische beperkingen van appellante juist waren beoordeeld en dat er geen noodzaak was voor een onafhankelijk deskundigenonderzoek. De klachten waren niet zodanig ernstig dat zij haar arbeid niet kon verrichten. Het hoger beroep werd afgewezen en de uitspraak van de rechtbank bevestigd, met een veroordeling van het UWV in de proceskosten.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt afgewezen en het besluit van het UWV dat appellante geen recht meer heeft op ziekengeld wordt bevestigd.