Uitspraak
16.1390 ZW
OVERWEGINGEN
BESLISSING
.
Centrale Raad van Beroep
Appellant, voormalig scheepstimmerman en later beursopbouwer, meldde zich ziek met knie-, oog- en duimklachten en ontving een uitkering op grond van de Ziektewet. Het UWV stelde bij besluit vast dat appellant per 2 juli 2015 geschikt was om te werken en beëindigde de uitkering. De rechtbank verklaarde het beroep van appellant ongegrond, stellende dat het medisch onderzoek zorgvuldig was uitgevoerd.
In hoger beroep voerde appellant aan dat het medisch onderzoek onvoldoende zorgvuldig was en dat knieklachten hem belemmerden om langdurig belastende werkzaamheden te verrichten. Hij stelde dat de rechtbank onterecht geen informatie bij zijn revalidatiearts had opgevraagd. Het UWV handhaafde het bestreden besluit.
De Raad benoemde een onafhankelijke deskundige die op basis van dossierstudie, eigen onderzoek en aanvullende medische informatie concludeerde dat appellant geringe beperkingen heeft, maar geschikt is om zijn werkzaamheden als beursopbouwer te verrichten. De deskundige vond geen objectieve verklaring voor de ervaren klachten en bevestigde zijn eerdere oordeel in een aanvullend rapport.
De Raad volgde het deskundigenrapport en oordeelde dat het UWV terecht het recht op uitkering had beëindigd. Het hoger beroep werd ongegrond verklaard en de uitspraak van de rechtbank bevestigd.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en het recht op Ziektewetuitkering per 2 juli 2015 beëindigd.