ECLI:NL:CRVB:2018:2684
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging afwijzing WIA-uitkering wegens onvoldoende arbeidsongeschiktheid
Appellant, werkzaam als operator, meldde zich ziek met nek-, schouder- en vasculaire klachten en vroeg op 25 februari 2014 een WIA-uitkering aan. Het UWV stelde na onderzoek vast dat hij minder dan 35% arbeidsongeschikt was en wees de uitkering af. Het bezwaar van appellant werd ongegrond verklaard, waarbij de rechtbank Rotterdam het UWV-onderzoek en de passende functies bevestigde.
In hoger beroep voerde appellant aan dat zijn belastbaarheid niet juist was vastgesteld vanwege ernstige vaatproblemen en pijn, alsmede wegrakingen die het werken onmogelijk maken. Hij overlegde medische stukken en informatie over mislukte re-integratiepogingen. Het UWV handhaafde haar standpunt met een aanvullend medisch rapport.
De Raad oordeelde dat het UWV zorgvuldig onderzoek had verricht en dat de beperkingen in de Functionele Mogelijkhedenlijst (FML) voldoende waren opgenomen. Medische informatie over een val in 2015 werd niet als relevant voor de datum in geschil beschouwd. Een verzoek om aanhouding voor een nieuwe verklaring van een vaatchirurg werd afgewezen vanwege voldoende bestaande medische informatie rond de datum van het besluit.
De Raad concludeerde dat het feit dat re-integratiepogingen mislukten niet betekent dat appellant de geduide functies niet kan verrichten. Het hoger beroep werd ongegrond verklaard en de uitspraak van de rechtbank bevestigd.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en de afwijzing van de WIA-uitkering bevestigd.