Appellante was werkzaam als accountmanager voor 37,5 uur per week en ontving na het beëindigen van haar arbeidsovereenkomst een WW-uitkering. Na ziekmelding met psychische klachten stelde het UWV dat zij geen recht meer had op ziekengeld, omdat zij geschikt was voor acht uur werk per week, gebaseerd op enkele thuis verrichte werkzaamheden.
Appellante voerde aan dat deze enkele thuiswerkzaamheden onvoldoende aanknopingspunten boden om de maatstaf arbeid te wijzigen van haar functie van accountmanager voor 37,5 uur per week. De Raad concludeerde dat het UWV onterecht was uitgegaan van een lagere maatstaf arbeid, omdat de werkgever had bevestigd dat appellante slechts enkele keren thuiswerk had verricht en haar loon uit sociale en medische overwegingen was doorbetaald.
De Raad vernietigde het bestreden besluit en het eerdere besluit van het UWV, oordeelde dat appellante niet in staat is haar maatgevende arbeid te verrichten en veroordeelde het UWV tot vergoeding van wettelijke rente en kosten. Hiermee werd het beroep van appellante gegrond verklaard.