Uitspraak
17.1085 PW
OVERWEGINGEN
BESLISSING
.
Centrale Raad van Beroep
Appellant ontving bijstand op grond van de Participatiewet en gaf aan dak- en thuisloos te zijn. Hij moest dagelijks per sms zijn verblijfadres doorgeven. Op 11 februari 2016 meldde appellant een adres waar hij zou verblijven, maar handhavingsspecialisten troffen hem daar niet aan. De bewoners verklaarden hem niet te kennen en dat iemand anders op het adres had geslapen.
Het college trok de bijstand in per 11 februari 2016 wegens het niet voldoen aan de inlichtingenplicht. De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond. In hoger beroep bevestigde de Centrale Raad van Beroep dit oordeel. De Raad oordeelde dat appellant onvoldoende controleerbare gegevens had verstrekt over zijn verblijfplaats, wat essentieel is voor het recht op bijstand.
De Raad verwierp het verweer dat het tijdstip van vertrek niet hoefde te worden gemeld en dat het onderzoek onzorgvuldig was. De intrekking van de bijstand werd gegrond verklaard omdat het college niet kon vaststellen of appellant recht had op bijstand. Het hoger beroep werd afgewezen en de uitspraak van de rechtbank bevestigd.
Uitkomst: De intrekking van de bijstand per 11 februari 2016 wordt bevestigd wegens schending van de inlichtingenplicht over het verblijfadres.