Uitspraak
16.4987 WIA
OVERWEGINGEN
BESLISSING
.
Centrale Raad van Beroep
Appellant, die zich in 2007 ziek meldde met psychische klachten, ontving aanvankelijk een WGA-uitkering op basis van 100% arbeidsongeschiktheid. Na een herbeoordeling in 2015 stelde het UWV vast dat appellant meer arbeidsgeschikt was, met een mate van arbeidsongeschiktheid van 42,61%. Dit leidde tot een bezwaarprocedure waarin de beperkingen werden vastgelegd in een Functionele Mogelijkhedenlijst (FML) en de mate van arbeidsongeschiktheid werd vastgesteld op 50,39%.
De rechtbank verklaarde het beroep van appellant ongegrond en oordeelde dat het medisch onderzoek zorgvuldig was uitgevoerd en de beperkingen juist waren vastgesteld. Appellant voerde in hoger beroep aan dat zijn claustrofobische klachten niet waren meegewogen en dat de urenomvang van zijn nevenfunctie niet was betrokken bij de maatmanbepaling.
De Centrale Raad van Beroep volgde de rechtbank en het UWV in hun oordeel. De verzekeringsarts bezwaar en beroep had een gedegen onderzoek verricht, inclusief dossierstudie, lichamelijk en psychisch onderzoek, en had relevante medische informatie betrokken. Er was geen aanwijzing voor claustrofobie en de beperkingen waren adequaat gemotiveerd. Ook de arbeidsdeskundige had de maatman en functies zorgvuldig gemotiveerd. Het hoger beroep werd ongegrond verklaard en de uitspraak van de rechtbank bevestigd.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en de vaststelling van de WIA-uitkering op 50,39% arbeidsongeschiktheid bevestigd.