ECLI:NL:CRVB:2018:2782

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
13 september 2018
Publicatiedatum
13 september 2018
Zaaknummer
16/6554 WAO
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Verwijzingen
1 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bevestiging terugvordering WAO-uitkering wegens inkomstenstijging zelfstandige

Appellant ontvangt sinds 1999 een WAO-uitkering wegens arbeidsongeschiktheid en is sinds 2007 als zelfstandige werkzaam. In 2013 stegen zijn inkomsten, waarop het UWV de WAO-uitkering met terugwerkende kracht heeft verlaagd en een bedrag van €9.418,14 heeft teruggevorderd. De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond en oordeelde dat appellant redelijkerwijs kon weten dat hogere inkomsten gevolgen zouden hebben voor zijn uitkering.

In hoger beroep voerde appellant aan dat hem niet duidelijk was hoeveel hij mocht bijverdienen en dat de terugvordering onaanvaardbare medische en financiële gevolgen heeft. De Raad concludeert dat uit de telefoongesprekken met het UWV niet blijkt dat appellant onbeperkt mocht bijverdienen zonder gevolgen. Het risico op verlaging van de uitkering was hem bekend.

De Raad acht ook geen dringende reden aanwezig om van terugvordering af te zien, mede gelet op de medische informatie en de berekening van de draagkracht door het UWV. Financiële moeilijkheden van appellant en zijn echtgenote zijn onvoldoende om onaanvaardbare gevolgen aan te nemen. Het hoger beroep wordt verworpen en de uitspraak van de rechtbank bevestigd.

Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt de terugvordering van de WAO-uitkering wegens hogere inkomsten als zelfstandige.

Uitspraak

16.6554 WAO

Centrale Raad van Beroep
Meervoudige kamer
Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Noord-Holland van
7 september 2016, 15/5336 (aangevallen uitspraak)
Partijen:
[appellant] te [woonplaats] (appellant)
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)
Datum uitspraak: 13 september 2018
PROCESVERLOOP
Namens appellant heeft mr. M. Hoogendonk, advocaat, hoger beroep ingesteld.
Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.
Partijen hebben nadere stukken ingediend.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 2 augustus 2018. Appellant is verschenen, bijgestaan door mr. Hoogendonk. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door
E.C. van der Meer.

OVERWEGINGEN

1.1.
Appellant is werkzaam geweest als systeembeheerder en uitgevallen wegens hartklachten. Hij ontvangt vanaf 1999 een uitkering op grond van de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO), gebaseerd op een mate van arbeidsongeschiktheid van 80 tot 100%. Sinds 3 december 2007 is hij werkzaam als zelfstandige (adviesbureau bedrijfsadministratie). Het Uwv heeft de uitkering sindsdien op voorschotbasis verstrekt en de definitieve uitkering steeds achteraf vastgesteld als de jaarinkomsten bekend waren. Tot en met 2012 heeft dat niet geleid tot een wijziging van de hoogte van de WAO-uitkering van appellant.
1.2.
In 2013 hebben de inkomsten wel geleid tot een wijziging van de hoogte van de
WAO-uitkering van appellant. Appellant heeft in dat jaar meer inkomsten gehad dan in de jaren daarvoor. Het Uwv heeft met besluiten van 8 juni 2015 een korting toegepast op de WAO-uitkering van appellant over 2013 en een bedrag van € 9.418,14 bruto van hem teruggevorderd. Met de beslissing op bezwaar van 16 oktober 2015 (bestreden besluit) heeft het Uwv de bezwaren ongegrond verklaard en de korting en terugvordering gehandhaafd.
2.1.
De rechtbank heeft het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard en hiertoe het volgende overwogen. Het Uwv heeft de korting op de WAO-uitkering met terugwerkende kracht kunnen toepassen. Eiser had redelijkerwijs kunnen weten dat de verhoging van zijn inkomen gevolgen kon hebben voor zijn WAO-uitkering. Het Uwv heeft terecht de onverschuldigd betaalde uitkering van € 9.418,14 bruto teruggevorderd. Van een dringende reden om van terugvordering af te zien is niet gebleken.
3.1.
Appellant heeft in hoger beroep aangevoerd dat het hem redelijkerwijs niet duidelijk had kunnen zijn dat de toename van zijn inkomen zou leiden tot een korting op zijn
WAO-uitkering. Hij heeft contact gehad met het Uwv. Hem is toen gezegd dat hij naast een WAO-uitkering mag bijverdienen. Hem is echter niet verteld hoeveel hij exact mocht bijverdienen. Hij heeft dat wel gevraagd, maar hij heeft daar geen antwoord op gekregen. Hij voert daarnaast aan dat de rechtbank ten onrechte heeft geoordeeld dat er geen dringende reden is om van terugvordering af te zien. De terugvordering heeft onaanvaardbare medische en financiële gevolgen voor hem.
3.2.
Het Uwv heeft bevestiging van de aangevallen uitspraak bepleit.
4.1.
De Raad komt tot de volgende beoordeling.
4.2.
De Raad verwijst voor het wettelijk kader naar de overwegingen 6.1 tot en met 6.3 van de uitspraak van de rechtbank.
4.3.
De rechtbank is terecht tot het oordeel gekomen dat appellant redelijkerwijs kon weten dat de verhoging van zijn inkomen tot een verlaging van zijn WAO-uitkering zou kunnen leiden. Uit de schriftelijke weergave van de telefoongesprekken die hij met het Uwv heeft gevoerd, blijkt niet dat hem gezegd is dat hij kon verdienen wat hij wilde, zonder dat dat gevolgen voor zijn uitkering zou. Er blijkt ook niet uit dat de inkomsten gemiddeld konden worden met de inkomsten van de vorige jaren. Appellant stelt dat de gesprekken anders zijn verlopen, maar heeft dit niet nader kunnen onderbouwen. Dat het Uwv hem niet heeft gezegd hoeveel hij kon bijverdienen zonder dat dat gevolgen voor zijn uitkering zou hebben, leidt niet tot een ander oordeel. Hij wist dat bij verhoging van zijn inkomen het risico van verlaging van zijn WAO-uitkering bestond, daarom heeft hij immers gebeld met het Uwv, en hij heeft dat risico genomen.
4.4.
De rechtbank is eveneens terecht tot het oordeel gekomen dat er geen dringende reden is om van terugvordering af te zien. Daartoe heeft zij terecht gewezen op de reactie van de verzekeringsarts bezwaar en beroep van het Uwv op de door appellant in bezwaar en beroep ingebrachte medische informatie. Deze stelt dat appellant weliswaar een terugval heeft gekregen, zowel van de hartklachten als van de psychische klachten, maar dat uit die informatie niet blijkt van onaanvaardbare gevolgen. Er is geen situatie van psychische ontreddering. Appellant is ook niet verwezen naar de tweedelijns gezondheidszorg.
Evenmin is gebleken van onaanvaardbare financiële gevolgen van de terugvordering. Het Uwv heeft de draagkracht van appellant berekend en daarbij rekening gehouden met de beslagvrije voet. Dat appellant en zijn vrouw het financieel zwaar hebben en dat appellant niet van zijn pensioen kan genieten maar moet doorwerken, is onvoldoende om onaanvaardbare financiële gevolgen aan te nemen.
4.5.
Uit wat in 4.2 tot en met 4.4 is overwogen volgt dat het hoger beroep niet slaagt en de aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.
5. Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.
Deze uitspraak is gedaan door E.W. Akkerman als voorzitter en A.T. de Kwaasteniet en
R.B. Kleiss als leden, in tegenwoordigheid van M.A.A. Traousis als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 13 september 2018.
(getekend) E.W. Akkerman
(getekend) M.A.A. Traousis

OS