ECLI:NL:CRVB:2018:2846
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging niet-ontvankelijkheid bezwaar tegen uitkeringsspecificatie wegens ontbreken rechtsgevolg
Appellant ontvangt sinds 2003 bijstand en kreeg over de periode augustus tot en met december 2015 inhoudingen vanwege niet gemelde giften van zijn moeder. Het college verrekende deze giften met de bijstand en vermeldde dit in de uitkeringsspecificaties als "overige inkomsten". Appellant maakte bezwaar tegen de specificatie van december 2015, maar het college verklaarde dit bezwaar niet-ontvankelijk omdat deze specificatie geen besluit in de zin van de Awb is.
De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond en de Centrale Raad van Beroep bevestigt dit oordeel. De Raad overweegt dat alleen de eerste verrekening in augustus 2015 als een besluit met rechtsgevolg geldt waartegen bezwaar mogelijk is. Herhalingen van deze verrekening in latere specificaties zijn geen besluiten en dus niet vatbaar voor bezwaar. Appellant kon door persoonlijke omstandigheden niet tijdig bezwaar maken tegen de eerste verrekening, maar dit blijft voor zijn rekening.
De Raad gaat niet inhoudelijk in op de stelling dat de beslagvrije voet niet is gerespecteerd, omdat het bezwaar niet-ontvankelijk is. Ook is niet aannemelijk gemaakt dat appellant onjuist is geïnformeerd over het indienen van bezwaar tegen elke specificatie. Het hoger beroep wordt verworpen en de uitspraak van de rechtbank bevestigd.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt verworpen en de niet-ontvankelijkverklaring van het bezwaar tegen de uitkeringsspecificatie bevestigd.