ECLI:NL:CRVB:2018:2873
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Afwijzing verzoek voortzetting Wajong-uitkering bij verhuizing naar Turkije
Appellant, sinds 1995 gerechtigd tot een arbeidsongeschiktheidsuitkering die in 1998 werd omgezet in een Wajong-uitkering, verzocht in november 2015 om met behoud van zijn uitkering naar Turkije te mogen verhuizen. Dit verzoek werd door het UWV afgewezen op grond van een verzekeringsartsrapport dat stelde dat de verhuizing van de echtgenote een eigen keuze was en dat appellant niet afhankelijk was van verzorging door haar.
Het bezwaar tegen deze afwijzing werd eveneens ongegrond verklaard. De rechtbank bevestigde dat er geen sprake was van een onbillijkheid van overwegende aard en dat artikel 8 EVRM Pro niet werd geschonden, aangezien appellant vrij was om al dan niet mee te verhuizen.
In hoger beroep voerde appellant aan dat hij afhankelijk is van de zorg van zijn echtgenote en ouders, die naar Turkije zijn teruggekeerd, en dat het beëindigen van zijn uitkering een schending van zijn recht op familie- en gezinsleven zou betekenen. De Raad oordeelde echter dat de omstandigheden niet onder de zwaarwegende redenen van het Besluit Beleidsregels vallen en dat de verhuizing vooral op eigen keuze berust. Er is geen medische noodzaak of objectieve dwingende reden voor de verhuizing.
De Raad bevestigde het uitgangspunt van het exportverbod van Wajong-uitkeringen en dat de hardheidsclausule slechts in uitzonderlijke gevallen geldt. Er is geen inbreuk op artikel 8 EVRM Pro. Het hoger beroep wordt daarom ongegrond verklaard en de afwijzing van het verzoek blijft in stand.
Uitkomst: Het verzoek om met behoud van Wajong-uitkering naar Turkije te verhuizen wordt afgewezen wegens ontbreken van zwaarwegende redenen.