ECLI:NL:CRVB:2018:288
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Beoordeling bijstandverlening en vermogen na verkoop buitenlandse woning
Appellant en zijn echtgenote ontvingen sinds 1996 bijstand. Na anonieme meldingen over vermogen uit de verkoop van een café en een woning in Turkije, stelde het college een onderzoek in. De woning werd getaxeerd op minimaal €22.000,-, ruim boven de vermogensgrens van €11.790,-. Het college trok de bijstand per 1 december 2015 in en wees een nieuwe aanvraag af.
Later werd bijstand toegekend als lening voor de periode december 2015 tot mei 2016, met terugbetalingsverplichting bij verkoop van de woning. Appellant verkocht de woning aan zijn dochter voor €11.000,-. De rechtbank verklaarde het beroep tegen het collegebesluit ongegrond.
In hoger beroep voerde appellant aan dat hij niet redelijkerwijs over het getaxeerde vermogen kon beschikken omdat hij de woning niet voor de marktwaarde kon verkopen binnen de gestelde termijn. De Raad oordeelde dat appellant onvoldoende aannemelijk had gemaakt dat hij pogingen had gedaan om de woning tegen marktwaarde te verkopen, noch dat hij het college had geïnformeerd over de verkoopproblemen of om termijnverlenging had verzocht.
De Raad concludeerde dat het college terecht de bijstand als lening had toegekend, omdat appellant redelijkerwijs over het vermogen kon beschikken. Het hoger beroep werd ongegrond verklaard en de aangevallen uitspraak bevestigd.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en de aangevallen uitspraak bevestigd.