ECLI:NL:CRVB:2018:2882
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Afwijzing aanvraag bijstand levensonderhoud zelfstandigen wegens onvoldoende levensvatbaarheid onderneming
Appellant heeft een aanvraag ingediend op grond van het Besluit bijstandverlening zelfstandigen 2004 (Bbz 2004) voor een uitkering voor levensonderhoud. De gemeente Amsterdam heeft deze aanvraag afgewezen omdat het ondernemingsplan voor een startende rijschool te summier was en niet voldeed aan de eisen, waardoor het bedrijf niet levensvatbaar werd geacht.
De adviseur van de afdeling Ondersteuning ondernemers van de gemeente heeft meerdere rapportages uitgebracht waarin werd geconcludeerd dat de eerder gesignaleerde gebreken in het ondernemingsplan niet waren hersteld. De rechtbank verklaarde het beroep van appellant ongegrond en de Centrale Raad van Beroep bevestigde dit oordeel in hoger beroep.
Appellant voerde aan dat de adviseur niet deskundig was en dat het gebruikelijk is om externe bureaus in te schakelen, maar de Raad oordeelde dat de interne adviseur voldoende deskundig is gebleken. Het ontbreken van een marktanalyse en twijfels over het financiële gedeelte van het plan waren doorslaggevend.
De Raad stelde dat het niet meewerken aan het traject Eigen Werk niet bepalend was voor de afwijzing. De aanvraag is terecht afgewezen en er is geen aanleiding voor proceskostenveroordeling.
Uitkomst: De aanvraag bijstand levensonderhoud zelfstandigen is terecht afgewezen wegens onvoldoende levensvatbaarheid van de onderneming.