Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:CRVB:2018:2882

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
28 augustus 2018
Publicatiedatum
21 september 2018
Zaaknummer
17/3213 BBZ-PV
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:31 AwbBesluit bijstandverlening zelfstandigen 2004
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing aanvraag bijstand levensonderhoud zelfstandigen wegens onvoldoende levensvatbaarheid onderneming

Appellant heeft een aanvraag ingediend op grond van het Besluit bijstandverlening zelfstandigen 2004 (Bbz 2004) voor een uitkering voor levensonderhoud. De gemeente Amsterdam heeft deze aanvraag afgewezen omdat het ondernemingsplan voor een startende rijschool te summier was en niet voldeed aan de eisen, waardoor het bedrijf niet levensvatbaar werd geacht.

De adviseur van de afdeling Ondersteuning ondernemers van de gemeente heeft meerdere rapportages uitgebracht waarin werd geconcludeerd dat de eerder gesignaleerde gebreken in het ondernemingsplan niet waren hersteld. De rechtbank verklaarde het beroep van appellant ongegrond en de Centrale Raad van Beroep bevestigde dit oordeel in hoger beroep.

Appellant voerde aan dat de adviseur niet deskundig was en dat het gebruikelijk is om externe bureaus in te schakelen, maar de Raad oordeelde dat de interne adviseur voldoende deskundig is gebleken. Het ontbreken van een marktanalyse en twijfels over het financiële gedeelte van het plan waren doorslaggevend.

De Raad stelde dat het niet meewerken aan het traject Eigen Werk niet bepalend was voor de afwijzing. De aanvraag is terecht afgewezen en er is geen aanleiding voor proceskostenveroordeling.

Uitkomst: De aanvraag bijstand levensonderhoud zelfstandigen is terecht afgewezen wegens onvoldoende levensvatbaarheid van de onderneming.

Uitspraak

17.3213 BBZ-PV

Datum uitspraak: 28 augustus 2018
Centrale Raad van Beroep
Enkelvoudige kamer
Proces-verbaal van de mondelinge uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 22 maart 2017, 16/7466 (aangevallen uitspraak)
Partijen:
[appellant] te [woonplaats] (appellant)
het college van burgemeester en wethouders van Amsterdam (college)
Zitting heeft: O.L.H.W.I. Korte
Griffier: S.H.H. Slaats
Appellant is, ondanks daartoe te zijn opgeroepen, met bericht niet verschenen. Het college heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. S.S. Kisoentewari en de interne adviseur [naam] .

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.
Deze beslissing is uitgesproken in het openbaar. Zij is gebaseerd op de volgende overwegingen.
Appellant heeft een aanvraag ingediend op grond van het Besluit bijstandverlening [onderdeel] 2004 (Bbz 2004) voor de algemeen noodzakelijke kosten van het bestaan. [naam] , adviseur [onderdeel] ( adviseur ), werkzaam in de afdeling Ondersteuning ondernemers , Team [onderdeel] van de Dienst Werk en Inkomen van de gemeente Amsterdam (Afdeling Ondersteuning ondernemers ), heeft op 26 mei 2016 een rapportage uitgebracht waarin is vermeld dat het ondernemingsplan voor een startende rijschool met appellant is besproken, dat het ondernemingsplan te summier is en dat het ondernemingsplan op verschillende onderdelen zou moeten worden aangepast en uitgebreid. Appellant heeft met betrekking tot het marketingplan een aangepaste versie ingeleverd. De adviseur [onderdeel] heeft op 1 juli 2016 hierover nader gerapporteerd. Zij komt tot de conclusie dat de eerder gesignaleerde gebreken niet zijn hersteld. Met name de doelgroep, de markt en de concurrentie zijn te summier en te algemeen beschreven.
Het college heeft bij besluit van 1 juli 2016, na bezwaar gehandhaafd bij besluit van 4 november 2016 (bestreden besluit), de aanvraag van appellant afgewezen op de grond dat het bedrijf van appellant niet levensvatbaar is. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard.
Appellant voert aan dat de adviseur [onderdeel] niet deskundig is in het beoordelen
van aanvragen in het kader van het Bbz 2004 en in het bijzonder in het beoordelen van ondernemingsplannen inzake de rijschoolbranche. Om die reden kunnen de rapportages niet ten grondslag worden gelegd aan de besluitvorming en is het onzorgvuldig dat is uitgegaan van die rapportages. Volgens appellant is het gebruikelijk dat de beoordeling van aanvragen op grond van het Bbz 2004 aan een extern adviesbureau wordt uitbesteed.
Aan partijen is voor de zitting meegedeeld dat de vraag of het college zich terecht op het standpunt stelt dat het bedrijf van appellant niet levensvatbaar is, op de zitting aan de orde komt en dat het college verzocht wordt de adviseur [onderdeel] in verband daarmee ter zitting aanwezig te doen zijn. Partijen zijn daartoe opgeroepen. Ter zitting is de adviseur deskundigen verschenen en heeft vragen aangaande haar deskundigheid beantwoord. Dat appellant hierop niet heeft kunnen reageren, moet gelet op het bepaalde in artikel 8:31 van Pro de Algemene wet bestuursrecht voor zijn risico worden gelaten.
Met de beantwoording van vragen ter zitting heeft het college aannemelijk gemaakt dat de Afdeling Ondersteuning ondernemers een professionele organisatie betreft en dat de adviseur voldoende deskundig is. Het betreft een grote organisatie met 24 adviseurs voor wie als minimum scholingseis een Hbo-opleiding geldt. De adviseurs en hun ondersteuning houden zich uitsluitend bezig met aanvragen van [onderdeel] . Er is sprake van een collegiale toetsing van adviezen. Adviseurs behandelen een flink aantal zaken per jaar en volgen de aanvragers ook na toekenning, zodat ze in die gevallen zien hoe ondernemingen wel of niet levensvatbaar blijken te zijn. De Afdeling Ondersteuning ondernemers behandelt niet alle aanvragen intern. Over grote zaken, namelijk met een bedrijfskrediet boven de € 10.000,- of zaken die zeldzaam zijn, wordt extern advies ingewonnen. Zaken waarbij de aanvraag alleen gericht is op een uitkering voor levensonderhoud en over bedrijven waarover voldoende informatie beschikbaar is, behandelt de afdeling zelf. De adviseur werkt al vele jaren in de Afdeling Ondersteuning ondernemers. In dit geding gaat het om een aanvraag voor alleen een uitkering voor levensonderhoud waarbij de aanvraag betrekking heeft op een rijschool. Aanvragen voor het starten van een rijschool zijn veel voorkomend en hierover is dan ook vaak gerapporteerd en zodoende is voldoende informatie beschikbaar. Met deze toelichting en beantwoording van vragen is heeft het college aannemelijk gemaakt dat de adviseur [onderdeel] in dit geval voldoende deskundig is. Dat appellant jarenlange ervaring als rijschoolhouder heeft en daarom als vakbekwaam op zijn vakgebied moet worden beschouwd en dat in de rapportages niet specifiek is ingegaan op de rijschoolbranche doet niet ter zake. Beoordeeld zijn de algemene eigenschappen waaraan een ondernemingsplan moet voldoen. Uit het ondernemingsplan blijkt dat geen onderzoek is gedaan naar de concurrentie. Tevens zijn er vraagtekens over het financiële gedeelte van het ondernemingsplan in het kader van de reserveringen. Het college heeft met de rapportages zodanige twijfel opgeroepen, dat appellant met het ondernemingsplan en zijn toelichtingen daarop niet aannemelijk heeft gemaakt dat zijn bedrijf ten tijde van het besluit van 1 juli 2016 levensvatbaar was.
De beroepsgrond van appellant dat het niet meewerken aan het traject Eigen Werk heeft meegespeeld in de beslissing, kan niet slagen. In de rapportages is vermeld dat appellant geen gebruik heeft willen maken van het hem ter ondersteuning aangeboden traject. Uit die enkele vermelding kan niet worden afgeleid dat dit een negatieve rol heeft gespeeld bij de besluitvorming over zijn aanvraag.
De conclusie is dat de aanvraag terecht is afgewezen.
Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.
Waarvan proces-verbaal.
De griffier De voorzitter
(get.) S.H.H. Slaats (get.) O.L.H.W.I. Korte

LO