ECLI:NL:CRVB:2018:2903
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Afwijzing aanvraag oorlogsletsel op grond van Algemene Oorlogsongevallenregeling wegens onvoldoende bewijs
Appellant, geboren in 1944 in voormalig Nederlands-Indië, verzocht in juni 2016 om toekenning op grond van de Algemene Oorlogsongevallenregeling (AOR). De Pensioen- en Uitkeringsraad wees de aanvraag af omdat niet aannemelijk was gemaakt dat appellant in omstandigheden had verkeerd die onder de AOR vallen.
In hoger beroep stelde appellant dat hij mogelijk letsel had opgelopen tijdens bombardementen in Porto op het eiland Saparua. De Raad volgde verweerder in het oordeel dat hiervoor onvoldoende bewijs was. Appellant kon slechts flarden van herinneringen aanvoeren, en historische gegevens bevestigden niet dat er bombardementen in Porto hadden plaatsgevonden.
De verklaring van de broer van appellant werd niet doorslaggevend geacht, mede omdat deze in 2005 verklaarde niets te weten over de oorlogsomstandigheden. De Raad benadrukte dat ook bij toepassing van milde criteria enige vorm van bewijs noodzakelijk is, wat hier ontbrak.
Daarom bleef het bestreden besluit van afwijzing in stand en werd het beroep ongegrond verklaard. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.
Uitkomst: Het beroep wordt ongegrond verklaard wegens onvoldoende bewijs van oorlogsletsel.