ECLI:NL:CRVB:2018:1426
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Afwijzing erkenning oorlogsgetroffene op grond van AOR en Wubo wegens gebrek aan bewijs
Appellant, geboren in 1942, verzocht om toekenning van uitkeringen op grond van de Algemene Oorlogsongevallenregeling (AOR) en de Wet uitkeringen burger-oorlogsslachtoffers 1940-1945 (Wubo). De Pensioen- en Uitkeringsraad wees deze aanvragen af wegens onvoldoende bewijs dat appellant oorlogsgeweld had meegemaakt.
In hoger beroep stelde appellant dat hij tijdens de oorlog diverse traumatische gebeurtenissen had meegemaakt, ondersteund door een verklaring van zijn zus. De Raad oordeelde dat de verklaring van de zus, gebaseerd op verhalen van anderen en niet op eigen waarneming, onvoldoende bewijs vormt. De AOR kent weliswaar ruime criteria, maar vereist toch enige vorm van bewijs van oorlogsgebeurtenissen.
Daarnaast werd beoordeeld dat de strengere criteria van de Wubo eveneens niet waren gehaald. Omdat appellant niet aannemelijk kon maken dat hij getroffen was door oorlogsgeweld, werden de bestreden besluiten gehandhaafd en het beroep ongegrond verklaard.
Uitkomst: Het beroep wordt ongegrond verklaard wegens onvoldoende bewijs voor erkenning als oorlogsgetroffene onder de AOR en Wubo.