ECLI:NL:CRVB:2018:3003
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Afwijzing bijzondere bijstand voor inrichtingskosten na verhuizing naar zelfstandige woning
Appellant ontving bijstand op grond van de Participatiewet en verhuisde op 18 februari 2016 van de ouderlijke woning naar een zelfstandige huurwoning. Hij vroeg bijzondere bijstand aan voor de inrichtingskosten, maar het college wees dit af omdat de verhuizing wenselijk maar niet noodzakelijk was en appellant niet had aangetoond dat sparen onmogelijk was.
De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond, stellende dat inrichtingskosten tot de algemeen noodzakelijke kosten behoren die uit het inkomen of door reservering moeten worden betaald, tenzij bijzondere omstandigheden dit onmogelijk maken. Appellant kon dit niet aannemelijk maken, ook niet dat hij met spoed moest verhuizen of niet kon sparen vanwege schulden.
In hoger beroep herhaalde appellant zijn standpunten, maar de Raad onderschreef de rechtbank en oordeelde dat appellant niet in bijzondere omstandigheden verkeerde en dat het college terecht de aanvraag afwees. Ook hoefde het college niet te onderzoeken of een geldlening passend was. Het hoger beroep werd afgewezen.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt afgewezen en de afwijzing van bijzondere bijstand voor inrichtingskosten wordt bevestigd.