ECLI:NL:CRVB:2018:3046
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging geen recht op ziekengeld na zorgvuldig medisch onderzoek
Appellant was werkzaam als procesmanager en meldde zich in mei 2013 ziek met psychische klachten. Het UWV stelde na een eerstejaars Ziektewet-beoordeling vast dat appellant per juni 2014 geen recht meer had op ziekengeld omdat hij meer dan 65% van zijn loon kon verdienen met andere functies. Na een nieuwe ziekmelding in september 2014 ontving appellant opnieuw een Ziektewet-uitkering. In september 2015 stelde het UWV opnieuw vast dat appellant geen recht meer had op ziekengeld, omdat hij geschikt werd geacht voor andere functies.
Appellant maakte bezwaar tegen dit besluit en werd onderzocht door een verzekeringsarts bezwaar en beroep. Deze arts concludeerde dat appellant geschikt was voor één van de geselecteerde functies in het kader van de EZWb. De rechtbank verklaarde het beroep van appellant ongegrond. In hoger beroep stelde appellant dat het medisch onderzoek niet zorgvuldig was en dat zijn klachten waren verergerd, maar hij maakte dit niet aannemelijk.
De Centrale Raad van Beroep onderschreef het oordeel van de rechtbank dat het medisch onderzoek zorgvuldig was en dat de verzekeringsarts een juiste inschatting maakte van de medische situatie. De stelling van appellant dat hij leed aan een depressie en PTSS werd niet bewezen. De Raad bevestigde daarom het besluit van het UWV en de uitspraak van de rechtbank, en wees het hoger beroep af.
Er werd geen aanleiding gezien voor een veroordeling in de proceskosten. De uitspraak werd gedaan door de enkelvoudige kamer van de Centrale Raad van Beroep op 19 september 2018.
Uitkomst: Hoger beroep wordt ongegrond verklaard; appellant heeft geen recht meer op ziekengeld.