Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:CRVB:2018:3065

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
26 september 2018
Publicatiedatum
5 oktober 2018
Zaaknummer
17/7520 AWBZ-PV
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 2.6.9 Regeling subsidies AWBZ
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bevestiging terugvordering persoonsgebonden budget wegens onvoldoende verantwoording

In deze zaak heeft de Centrale Raad van Beroep het hoger beroep behandeld tegen de uitspraak van de rechtbank Rotterdam waarbij de beroepen van appellant ongegrond werden verklaard. Het zorgkantoor had het persoonsgebonden budget (pgb) voor de jaren 2013 en 2014 vastgesteld op nihil en de betaalde voorschotten volledig teruggevorderd vanwege het niet voldoen aan de administratieve en zorginhoudelijke eisen zoals gesteld in de Regeling subsidies AWBZ.

Appellant voerde in hoger beroep aan dat hem geen pgb had mogen worden verleend, dat het zorgkantoor eerder had moeten controleren en dat de terugvordering grote gevolgen voor hem heeft. De Raad oordeelde dat appellant als pgb-houder verantwoordelijk is voor het beheer en de besteding van het pgb en dat de medische toestand van appellant niet aannemelijk maakt dat hij niet met hulp van derden aan zijn verplichtingen kon voldoen.

Verder is geen rechtsgrond voor het zorgkantoor om eerder intensief te controleren aangetoond. Ook zijn er geen bijzondere omstandigheden gebleken die de terugvordering van onverschuldigde voorschotten in de weg staan. De enkele stelling dat de terugvordering grote gevolgen heeft, is onvoldoende.

De Centrale Raad van Beroep bevestigt daarom de uitspraak van de rechtbank en wijst het beroep van appellant af. Er is geen aanleiding voor een veroordeling in de proceskosten.

Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt dat het pgb terecht op nihil is gesteld en de betaalde voorschotten volledig zijn teruggevorderd.

Uitspraak

17.7520 AWBZ-PV, 17/7521 AWBZ-PV

Centrale Raad van Beroep
Enkelvoudige kamer
Proces-verbaal van de mondelinge uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Rotterdam van 17 oktober 2017, 16/4601 en 16/4602 (aangevallen uitspraak)
Partijen:
[appellant] te [woonplaats] (appellant)
Zilveren Kruis Zorgkantoor N.V. (zorgkantoor)
Datum uitspraak: 26 september 2018
Zitting heeft: J. Brand
Griffier: O.V. Vries
Ter zitting is verschenen mr. M.H.D. Saro namens het zorgkantoor. Appellant is niet ter zitting verschenen.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.
Deze beslissing is uitgesproken in het openbaar. Zij is gebaseerd op de volgende overwegingen:
1.1.
Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank ongegrond verklaard de beroepen van appellant tegen de besluiten van 1 juni 2016. Bij die besluiten heeft het zorgkantoor, beslissend op bezwaar, gehandhaafd zijn besluiten van 3 juni 2015, waarbij het persoonsgebonden budget (pgb) van appellant voor de jaren 2013 en 2014 is vastgesteld op nihil en de betaalde voorschotten over die jaren volledig van hem zijn teruggevorderd. De rechtbank heeft vastgesteld dat tussen partijen niet in geschil is dat de door appellant gegeven verantwoording van de besteding van het pgb over die jaren niet voldoet aan de in artikel 2.6.9, eerste lid, van de Regeling subsidies AWBZ gestelde, administratieve en zorginhoudelijke, eisen. De rechtbank heeft geoordeeld dat de door appellant aangevoerde omstandigheden niet maken dat het zorgkantoor niet in redelijkheid tot zijn belangenafweging heeft kunnen komen.
1.2.
In hoger beroep heeft appellant aangevoerd dat hem geen pgb had mogen worden verleend, dat het zorgkantoor de besteding van het pgb eerder had moeten controleren en dat de gevolgen van de terugvordering voor hem groot zijn.
2.1.
Met de rechtbank wordt geoordeeld dat appellant, inherent aan de door hem gemaakte keuze om de zorg geleverd te krijgen in de vorm van een pgb in plaats van in natura, als pgb‑houder verantwoordelijk is voor het beheer en de besteding van het pgb en dat niet is gebleken van redenen waarom dat uitgangspunt in dit geval niet zou gelden. Appellant wordt niet gevolgd in zijn betoog dat het zorgkantoor hem geen pgb had mogen verlenen omdat hij, gezien zijn medische toestand, niet in staat zou zijn daarvoor verantwoording te dragen. Daargelaten dat de onderhavige procedure geen betrekking heeft op de verlening van het pgb, heeft appellant met de medische informatie die hij in bezwaar en beroep heeft overgelegd in ieder geval niet aannemelijk gemaakt dat hij, zowel ten tijde van de keuze voor een pgb als ten tijde hier in geding, niet in staat kon worden geacht om met inschakeling van de hulp van derden de verplichtingen verbonden aan het pgb na te komen. Uit de stukken blijkt ook dat appellant feitelijk hulp heeft gehad bij het beheren van het pgb
.Dat dit niet heeft geleid tot een juiste (verantwoording van de) besteding van het pgb is een omstandigheid die in de relatie tussen appellant en het zorgkantoor volledig voor rekening en risico van appellant komt.
2.2.
Voor een op het zorgkantoor rustende plicht om op een eerder moment dan in dit geval is geschied intensief te controleren of het pgb juist is besteed is geen rechtsgrond aanwijsbaar.
2.3.
Met de rechtbank wordt geoordeeld dat niet is gebleken van bijzondere omstandigheden op grond waarvan de onverschuldigd betaalde voorschotten niet kunnen worden teruggevorderd. De enkele stelling dat de terugvordering grote gevolgen heeft, is daartoe onvoldoende.
3. Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.
Waarvan proces-verbaal.
De griffier De voorzitter
(getekend) O.V. Vries (getekend) J. Brand

TM