ECLI:NL:CRVB:2018:3068
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Beoordeling toegenomen arbeidsongeschiktheid en recht op WIA-uitkering
Appellante werkte tot november 2007 als huishoudelijk medewerker en viel toen uit. Het UWV stelde in 2009 vast dat zij minder dan 35% arbeidsongeschikt was en daardoor geen recht had op een WIA-uitkering. Na meerdere ziekmeldingen en medische onderzoeken bevestigde het UWV in 2012 en 2015 dat appellante niet toegenomen arbeidsongeschikt was.
De rechtbank verklaarde het beroep van appellante tegen het besluit van 2015 ongegrond, omdat de medische beperkingen objectief niet waren toegenomen. Appellante voerde in hoger beroep aan dat onvoldoende medische informatie was gebruikt en dat haar belastbaarheid wel was verslechterd door onder meer fibromyalgie en andere klachten.
De Centrale Raad van Beroep oordeelt dat het UWV op goede gronden heeft vastgesteld dat er geen objectief medisch vastgestelde toename van beperkingen is sinds 2012. De verzekeringsartsen waren op de hoogte van de klachten, maar deze leidden niet tot een toename van beperkingen die recht geeft op een WIA-uitkering. De Raad bevestigt daarom het bestreden besluit en de uitspraak van de rechtbank.
Uitkomst: Geen recht op WIA-uitkering wegens het ontbreken van toegenomen arbeidsongeschiktheid sinds 2012.