ECLI:NL:CRVB:2018:3127
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging geen recht op WIA-uitkering na zorgvuldig verzekeringsgeneeskundig onderzoek
Appellant was sinds september 2010 werkzaam als steigerbouwer en raakte in november 2010 gewond door een ongeval op het werk. Ondanks het ongeval bleef hij werken tot hij zich eind 2011 ziek meldde vanwege schouderklachten. Na beëindiging van het dienstverband vroeg appellant in december 2013 een WIA-uitkering aan. Het UWV stelde op basis van een verzekeringsgeneeskundig onderzoek beperkingen vast en concludeerde dat appellant slechts gedeeltelijk arbeidsongeschikt was, met een arbeidsongeschiktheidspercentage van 4,28%. Na bezwaar en aanvullend onderzoek werd dit percentage bijgesteld naar 8,13%, maar bleef onder de 35% grens voor recht op WIA.
De rechtbank Rotterdam verklaarde het beroep van appellant ongegrond, oordeelde dat het verzekeringsgeneeskundig onderzoek zorgvuldig was uitgevoerd en dat de geselecteerde functies passend waren. In hoger beroep voerde appellant aan dat het UWV onvoldoende rekening had gehouden met zijn klachten en verzocht om benoeming van een onafhankelijke deskundige.
De Centrale Raad van Beroep volgde de rechtbank en oordeelde dat het onderzoek zorgvuldig was en dat de beperkingen juist waren weergegeven in de Functionele Mogelijkhedenlijst van maart 2015. De Raad wees het verzoek om een deskundige af wegens gebrek aan nieuwe gronden en bevestigde dat appellant geen recht had op een WIA-uitkering per 20 december 2013. De aangevallen uitspraak werd bekrachtigd zonder toewijzing van proceskosten.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt dat appellant geen recht heeft op een WIA-uitkering per 20 december 2013.