ECLI:NL:CRVB:2018:317
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging toepassing kostendelersnorm bij langdurig verblijf kleindochter voor medische behandeling
Appellante ontvangt bijstand op grond van de Participatiewet en woonde op een adres waar ook haar kleindochter verbleef vanwege medische behandeling. Het college paste de kostendelersnorm toe en verlaagde haar bijstand, omdat de kleindochter als medebewoner werd aangemerkt. De rechtbank vernietigde dit besluit deels, omdat onvoldoende was vastgesteld dat de zoon van appellante als medebewoner gold.
In hoger beroep stond centraal of het verblijf van de kleindochter als tijdelijk kon worden aangemerkt. De Raad oordeelde dat het verblijf van ruim zes maanden niet tijdelijk was, ondanks het toeristenvisum en de medische situatie. De kleindochter had daardoor haar hoofdverblijf bij appellante. Ook het beroep op artikel 18 lid 1 PW Pro voor een hogere bijstand wegens bijzondere omstandigheden werd verworpen, omdat de zoon inkomsten had en in het levensonderhoud voorzag.
Verder werd geoordeeld dat appellante haar inlichtingenplicht had geschonden door het verblijf van de kleindochter niet tijdig te melden, waardoor het college terecht de terugvordering instelde. De Centrale Raad bevestigde daarmee de uitspraak van de rechtbank voor zover het de kleindochter betrof en wees het hoger beroep af.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt de toepassing van de kostendelersnorm en wijst het hoger beroep af.