ECLI:NL:CRVB:2014:3241
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Beoordeling gezamenlijke huishouding en hoofdverblijf bij bijstandsintrekking
Appellante ontving bijstand als alleenstaande, maar het college van burgemeester en wethouders trok deze bijstand in omdat zij vanaf 18 januari 2012 een gezamenlijke huishouding zou voeren met haar partner zonder dit te melden. De sociale recherche voerde een onderzoek uit, waaronder observaties en gesprekken, en concludeerde dat er sprake was van gezamenlijke huishouding.
De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond, maar appellante stelde in hoger beroep dat haar partner slechts tijdelijk verbleef vanwege haar operatie en dat er geen sprake was van wederzijdse zorg. De Centrale Raad van Beroep oordeelde dat het criterium van hoofdverblijf doorslaggevend is en dat de duur van het verblijf wel degelijk een rol speelt bij het bepalen of er sprake is van een gezamenlijke huishouding.
De Raad stelde vast dat de partner gedurende de gehele periode zijn hoofdverblijf in de woning had, ondanks het zorgkarakter van het verblijf. Ook was er sprake van wederzijdse zorg, waarbij appellante onderdak bood en samen kookte, terwijl haar partner haar verzorgde en boodschappen deed. Op grond van deze objectieve feiten concludeerde de Raad dat er een gezamenlijke huishouding bestond en bevestigde het de eerdere uitspraak.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt dat er sprake was van gezamenlijke huishouding en verklaart het hoger beroep ongegrond.