ECLI:NL:CRVB:2018:3175
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Afwijzing bijzondere bijstand voor woninginrichting wegens onvoldoende noodzaak verhuizing
Appellant, die in 2008 gescheiden is en tot eind 2015 in de gezamenlijke woning bij zijn ex-vrouw bleef wonen, heeft een eigen woning geaccepteerd. Hij verzocht om bijzondere bijstand voor woninginrichting, maar heeft niet aannemelijk gemaakt dat de relatie met zijn ex-vrouw zodanig verslechterd was dat een acute verhuizing noodzakelijk was.
Ook de nabijheid van de woning van zijn zoon werd niet als reden geaccepteerd, omdat de gezamenlijke woning eveneens dichtbij was. De Raad oordeelde dat onder deze omstandigheden de kosten voor woninginrichting niet noodzakelijk waren, waardoor niet werd ingegaan op de vraag of appellant in voorgaande jaren had kunnen reserveren.
Daarnaast werd het argument dat anderen in vergelijkbare situaties wel bijzondere bijstand ontvingen verworpen, omdat elke zaak individueel wordt beoordeeld en appellant pas jaren na de scheiding besloot te verhuizen.
Het hoger beroep werd derhalve afgewezen en de uitspraak van de rechtbank Gelderland van 22 maart 2017 bevestigd. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt afgewezen en de afwijzing van bijzondere bijstand voor woninginrichting bevestigd.