ECLI:NL:CRVB:2018:3182
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Weigering bijzondere bijstand voor verhuis- en inrichtingskosten wegens voorzienbare verhuizing
Appellante verzocht om bijzondere bijstand voor verhuis- en inrichtingskosten, welke door het college van burgemeester en wethouders van Rotterdam werd geweigerd. De rechtbank Rotterdam oordeelde dat de verhuizing voorzienbaar was, mede omdat appellante op 12 augustus 2015 een vaststellingsovereenkomst met de verhuurder had gesloten en vanaf dat moment feitelijk op zoek was naar een andere woning.
Appellante voerde in hoger beroep aan dat zij pas vanaf het vonnis van de voorzieningenrechter op 1 juli 2016 wist dat zij uiterlijk 31 juli 2016 moest verhuizen. De Centrale Raad van Beroep sluit zich echter aan bij het oordeel van de rechtbank dat de verhuizing al vanaf 2015 voorzienbaar was, mede door de slechte relatie met de verhuurder en het feit dat zij toen al actief zocht naar een andere woning.
Verder is volgens vaste rechtspraak het ontbreken van voldoende reserveringsruimte door schulden geen bijzondere omstandigheid die bijzondere bijstand rechtvaardigt. Bovendien kon appellante door een tijdelijke huurverlaging en vrijstelling van huurbetaling vanaf september 2015 wel degelijk reserveren.
Het hoger beroep wordt verworpen en de aangevallen uitspraak bevestigd. Er wordt geen proceskostenveroordeling opgelegd.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt de weigering van bijzondere bijstand omdat de verhuizing voorzienbaar was.