ECLI:NL:CRVB:2018:319
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Afwijzing bijzondere bijstand voor eerste huur en waarborgsom wegens ontbreken bijzondere omstandigheden
Appellant ontving bijstand en huurde een kamer vanaf april 2013. In februari 2016 vroeg hij bijzondere bijstand aan voor de eerste huur en waarborgsom van een nieuwe studio. Het college wees dit af omdat geen sprake was van noodzakelijke kosten uit bijzondere omstandigheden. De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond.
In hoger beroep betoogde appellant dat zijn slechte psychische gesteldheid en schulden hem verhinderden te reserveren voor deze kosten, en dat er een medische noodzaak was om te verhuizen. De Raad oordeelde dat verhuizing voorzienbaar was, mede omdat appellant zich sinds 2013 inspande om eigen woonruimte te zoeken. De psychische klachten waren niet zodanig dat de verhuizing onvoorzien was.
Daarnaast had appellant voldoende financiële ruimte om te reserveren, ook rekening houdend met de kostendelersnorm. Schulden vormen volgens vaste rechtspraak geen bijzondere omstandigheid. De Raad concludeerde dat het college de aanvraag terecht had afgewezen en bevestigde de uitspraak van de rechtbank.
Uitkomst: De aanvraag bijzondere bijstand voor eerste huur en waarborgsom wordt afgewezen wegens ontbreken van bijzondere omstandigheden.