ECLI:NL:CRVB:2018:3190
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging juiste vaststelling maatmaninkomen bij loongerelateerde WGA-uitkering
Appellant was werkzaam als stoffeerder en meldde zich in 2011 en 2013 ziek. Na beëindiging van het dienstverband vroeg appellant een WIA-uitkering aan. Het UWV stelde aanvankelijk geen recht op uitkering vast, maar verklaarde het bezwaar gegrond en kende een loongerelateerde WGA-uitkering toe op basis van een arbeidsongeschiktheid van 45,11%.
De rechtbank verklaarde het beroep van appellant tegen dit besluit ongegrond, waarbij werd vastgesteld dat het maatmaninkomen juist was berekend op basis van een 40-urige werkweek en loongegevens uit de polisadministratie van de werkgever. Appellant voerde in hoger beroep aan dat onterecht van een 40-urige werkweek was uitgegaan in plaats van 38 uur.
De Centrale Raad van Beroep onderschreef het oordeel van de rechtbank en bevestigde dat het UWV terecht is uitgegaan van de polisadministratiegegevens, aangezien appellant geen bewijs heeft geleverd dat deze gegevens onjuist zijn. Het hoger beroep werd verworpen en de uitspraak van de rechtbank bevestigd.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt dat het maatmaninkomen juist is vastgesteld en wijst het hoger beroep af.