ECLI:NL:CRVB:2018:3201
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Afwijzing Wajong-uitkering wegens ontbreken duurzame band met Nederland en ingezetenschap
Appellante, geboren in Marokko in 1979, vroeg in maart 2014 een Wajong-uitkering aan die werd afgewezen. Een tweede aanvraag in maart 2015 werd eveneens afgewezen omdat zij op haar 17e verjaardag niet in Nederland woonde. De rechtbank verklaarde het beroep tegen deze afwijzing ongegrond. In hoger beroep stelde appellante dat zij op haar 17e al een duurzame band met Nederland had vanwege het verblijf van haar vader in Nederland en dat zij op grond daarvan verzekerd zou zijn voor de AAW.
De Raad oordeelde dat de aanvraag beoordeeld moest worden aan de hand van de Algemene Arbeidsongeschiktheidswet (AAW). Volgens de AAW is alleen degene die ingezetene is verzekerd. Ingezetenschap wordt bepaald aan de hand van een duurzame persoonlijke band met Nederland. Uit de feiten bleek dat appellante pas in 2013 vanuit Marokko naar Nederland kwam en dat het feit dat haar vader in Nederland woonde onvoldoende was om haar als ingezetene aan te merken op haar 17e verjaardag.
Verder bleek uit onderzoek dat appellantes vader niet in de systemen van de Sociale Verzekeringsbank voorkwam, waardoor zij ook niet op grond van kinderbijslag verzekerd was voor de AAW. Het beroep op discriminatie op grond van artikel 26 IVBPR Pro werd eveneens verworpen. De Raad bevestigde daarom de eerdere uitspraak en wees het hoger beroep af.
Uitkomst: De afwijzing van de Wajong-uitkering wordt bevestigd omdat appellante geen duurzame band met Nederland had en niet als ingezetene kon worden beschouwd.