Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:CRVB:2018:321

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
30 januari 2018
Publicatiedatum
1 februari 2018
Zaaknummer
17/2666 PW
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 4:5 AwbParticipatiewetWet werk en arbeidsondersteuning jonggehandicapten
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bevestiging niet-ontvankelijkheid bezwaar bijzondere bijstand wegens termijnoverschrijding

Appellante ontving sinds 2005 een Wajong-uitkering en diende in november 2014 een aanvraag bijzondere bijstand in voor bewindvoeringskosten. Het college stelde de aanvraag buiten behandeling wegens onvolledige gegevens. De bewindvoerder van appellante verzocht later het college alsnog de aanvraag in behandeling te nemen, maar het college zag deze brief niet als een bezwaarschrift of nieuwe aanvraag. Het bezwaar werd niet-ontvankelijk verklaard wegens termijnoverschrijding.

De rechtbank verklaarde het beroep tegen dit besluit ongegrond. In hoger beroep betoogde appellante dat de brief wel als bezwaarschrift had moeten worden aangemerkt. De Raad oordeelde dat de brief een reactie was op eerdere correspondentie en niet als bezwaarschrift of nieuwe aanvraag kon worden gezien, mede omdat appellante geen actie ondernam na het uitblijven van reactie en bij een latere aanvraag geen bezwaarprocedure meldde.

De Raad bevestigde daarmee de uitspraak van de rechtbank en wees het hoger beroep af. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.

Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en de uitspraak van de rechtbank bevestigd.

Uitspraak

17.2666 PW

Centrale Raad van Beroep
Enkelvoudige kamer
Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Midden-Nederland van 28 februari 2017, 16/3178 (aangevallen uitspraak)
Partijen:
[appellante] te [woonplaats] (appellante)
het college van burgemeester en wethouders van Veenendaal (college)
Datum uitspraak: 30 januari 2018
PROCESVERLOOP
Namens appellante heeft mr. M.T. Lamers, advocaat, hoger beroep ingesteld.
Het college heeft een verweerschrift ingediend.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 19 december 2017. Namens appellante is verschenen mr. M.T. Lamers. Het college heeft zich laten vertegenwoordigen door
N.V. Volchenko.

OVERWEGINGEN

1. De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.
1.1.
Appellante ontving met ingang van 25 april 2005 een uitkering krachtens de Wet werk en arbeidsondersteuning jonggehandicapten (Wajong). Op 12 november 2014 heeft zij een aanvraag om bijzondere bijstand op grond van de Participatiewet (PW) ingediend, voor de kosten van bewindvoering.
1.2.
Bij besluit van 19 december 2014 heeft het college met toepassing van artikel 4:5 van Pro de Algemene wet bestuursrecht de aanvraag buiten behandeling gesteld. Bij brief van
24 december 2014 (brief) heeft de bewindvoerder van appellante het college verzocht de aanvraag alsnog in behandeling te nemen. Bij brief van 10 maart 2016 heeft appellante het college verzocht om haar het besluit op bezwaar toe te sturen. Het college heeft deze brief aangemerkt als bezwaar tegen het besluit van 19 december 2014. Bij besluit van 25 mei 2016 (bestreden besluit) heeft het college het bezwaar (kennelijk) niet-ontvankelijk verklaard wegens niet verschoonbare termijnoverschrijding.
2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard.
3. In hoger beroep heeft appellante zich op de hierna te bespreken gronden tegen de aangevallen uitspraak gekeerd.
4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.
4.1.
Tussen partijen is in geschil of het college de brief had moeten aanmerken als een
- tijdig ingediend - bezwaarschrift gericht tegen het besluit van 19 december 2014, dan wel als een nieuwe aanvraag om bijzondere bijstand.
4.2.
In het kader van de aanvraag om bijzondere bijstand, heeft het college appellante verzocht verschillende gegevens over te leggen, waaronder een uitkeringsspecificatie van haar Wajong-uitkering (uitkeringsspecificatie) en bewijzen van schulden en actuele saldi. Hier heeft appellante niet volledig aan voldaan. Bij brief van 3 december 2014 heeft het college appellante een hersteltermijn gegeven tot en met 11 december 2014. Daarop is namens appellante bij e-mailbericht van 8 december 2014 om uitstel voor het toesturen van de uitkeringsspecificatie verzocht. Bij e-mailbericht van 8 december 2014 heeft het college te kennen gegeven dat een digitale uitkeringsspecificatie ook volstaat en dat op 12 december 2014 zal worden beoordeeld of verder uitstel kan worden verleend. Nadat appellante alsnog de uitkeringsspecificatie had ontvangen, heeft zij deze naar het college doorgestuurd. Bij de brief heeft de bewindvoerder namens appellante aanvullende stukken toegezonden. De brief bevat de volgende passage:
“(…) Per abuis komen wij er achter dat er iets is misgegaan met het verzenden van de stukken, waardoor de stukken niet compleet bij u zijn aangeleverd. Ook hebben wij niets meer van u vernomen van ons verzoek tot uitstel. Wij willen u dan ook graag verzoeken om de aanvraag alsnog in behandeling te nemen. (…)”
4.3.
Gelet op de inhoud en de strekking van de geciteerde passage, gelezen in samenhang met de brief van 3 december 2014 en het e-mailbericht van het college van 8 december 2014, had het college de brief niet hoeven opvatten als een bezwaarschrift dan wel als een nieuwe aanvraag. Eerder is in de brief sprake van een reactie op het onder 4.2 weergegeven
e-mailbericht van het college van 8 december 2014, dan wel van een verlate reactie op de brief van 3 december 2014, aangezien met de brief van 24 december 2014 ook nadere stukken zijn toegezonden. Dit oordeel vindt bevestiging in de omstandigheid dat appellante tot aan de brief van 10 maart 2016 geen actie heeft ondernomen op het uitblijven van een reactie van het college op de brief van 24 december 2014. Ook bij een latere aanvraag om bijzondere bijstand op 2 april 2015 heeft zij geen melding gemaakt van een nog lopende bezwaarprocedure, dan wel van een aanvraag waarop nog niet is beslist.
4.4.
Uit 4.1 tot en met 4.3 volgt dat het hoger beroep niet slaagt, zodat de aangevallen uitspraak voor bevestiging in aanmerking komt.
5. Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.
Deze uitspraak is gedaan door A.B.J. van der Ham, in tegenwoordigheid van P.C. de Wit als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 30 januari 2018.
(getekend) A.B.J. van der Ham
(getekend) P.C. de Wit

HD