ECLI:NL:CRVB:2018:323
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Afwijzing aanvraag bedrijfskrediet en bijstand wegens onduidelijke vermogenspositie en onvoldoende levensvatbaarheid onderneming
Appellant, die sinds 2013 bijstand ontving, vroeg op 20 november 2014 bedrijfskrediet en bijstand aan om een horecagelegenheid te starten. De aanvraag betrof een bedrijfskapitaal van € 47.458,-. Tijdens de aanvraag bleek dat de boedelscheiding met zijn ex-echtgenote nog niet was afgerond, waardoor zijn vermogenspositie onduidelijk bleef.
Het college vroeg het Instituut voor het Midden- en Kleinbedrijf (IMK) om advies over de levensvatbaarheid van het bedrijf. Het IMK concludeerde dat het privévermogen niet kon worden vastgesteld vanwege onduidelijkheid over de vordering op de ex-echtgenote, maar achtte het bedrijf levensvatbaar onder voorwaarden. De klantmanager voerde nader onderzoek uit en concludeerde dat de continuïteit onvoldoende was gewaarborgd vanwege onduidelijkheden over schulden en beslaglegging.
Het college wees de aanvraag af op 2 april 2015 en handhaafde dit besluit na bezwaar. De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond. In hoger beroep stelde appellant dat zijn vermogenspositie inmiddels duidelijk was en dat de bedrijfsactiviteiten in een B.V. zouden worden ondergebracht, maar dit werd verworpen omdat de aanvraag op een eenmanszaak zag en de bewijslast bij appellant lag.
De Raad oordeelde dat het college terecht was afgeweken van het IMK-advies vanwege de onduidelijkheden en dat het onderzoek door de klantmanager zorgvuldig was. Nieuwe ontwikkelingen na het besluitmoment werden niet meegewogen. Het hoger beroep werd afgewezen en de aangevallen uitspraak bevestigd.
Uitkomst: De afwijzing van de aanvraag bedrijfskrediet en bijstand wordt bevestigd wegens onvoldoende duidelijkheid over de vermogenspositie en onvoldoende levensvatbaarheid van het bedrijf.