ECLI:NL:CRVB:2018:3260
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Intrekking en terugvordering bijstand wegens ontbreken hoofdverblijf in gemeente Almere
Appellant ontving bijstand van het college van burgemeester en wethouders van Almere in de periode van 24 februari 2010 tot en met 31 juli 2011, gebaseerd op een daklozenuitkering omdat hij geen woonkosten had. Het college beëindigde de bijstand omdat appellant niet langer op het briefadres stond ingeschreven. Later ontving appellant bijstand in Lelystad, waar hij samen met P woonde.
Na een signaal van een wijkagent startte de Sociale Recherche Flevoland een onderzoek naar de rechtmatigheid van de bijstand. Het rapport concludeerde dat appellant en P hun hoofdverblijf hadden in de woning van P in Lelystad. Op grond hiervan trok het college de bijstand over de periode 2010-2011 in en vorderde het de kosten terug.
De rechtbank verklaarde het beroep tegen dit besluit ongegrond. In hoger beroep betwistte appellant zijn hoofdverblijf in Lelystad en stelde dat hij in een camper verbleef. De Raad oordeelde echter dat de onderzoeksbevindingen en verklaringen voldoende bewijs vormden dat appellant zijn hoofdverblijf in Lelystad had.
Daarmee had appellant geen recht op bijstand van het college van Almere in de periode in geding. De Raad bevestigde de uitspraak van de rechtbank en wees het hoger beroep af. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt dat appellant geen recht had op bijstand omdat hij zijn hoofdverblijf buiten Almere had, waardoor de intrekking en terugvordering terecht zijn.