ECLI:NL:CRVB:2018:3271

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
16 oktober 2018
Publicatiedatum
23 oktober 2018
Zaaknummer
17/3131 PW-PV
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Mondelinge uitspraak
Rechters
  • J.T.H. Zimmerman
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 17 PWArt. 54 PW
Verwijzingen
6 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bevestiging intrekking bijstand na niet verstrekken CIN-nummers en onvoldoende medewerking

De Centrale Raad van Beroep heeft op 16 oktober 2018 uitspraak gedaan in het hoger beroep van appellanten tegen de intrekking van hun bijstand op grond van de Participatiewet (PW). De bijstand betrof een aanvullende inkomensvoorziening voor ouderen (AIO-aanvulling). De Sociale verzekeringsbank (Svb) had de bijstand opgeschort en vervolgens ingetrokken omdat appellanten hun CIN-nummers niet hadden verstrekt, waardoor zij onvoldoende meewerkten aan het onderzoek naar hun vermogen.

De Raad baseerde zich op artikel 17, tweede lid, en artikel 54, eerste en vierde lid, van de PW. Eerder had de Raad in vergelijkbare zaken geoordeeld dat het niet overleggen van CIN-nummers een schending van de medewerkingsplicht inhoudt en rechtvaardigt dat de Svb de AIO-aanvulling opschort en intrekt na een hersteltermijn.

Appellanten voerden in hoger beroep dezelfde gronden aan als in eerdere zaken, welke de Raad reeds gemotiveerd had verworpen. Ook het argument dat appellanten niet over een CIN-nummer zouden beschikken, werd verworpen, mede op basis van een brief van de Marokkaanse attaché die stelt dat iedere Marokkaanse staatsburger bij geboorte een CIN-nummer krijgt.

De Raad zag geen reden om af te wijken van eerdere uitspraken en bevestigde de intrekking van de bijstand. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.

Uitkomst: De intrekking van de bijstand wegens onvoldoende medewerking door het niet verstrekken van CIN-nummers wordt bevestigd.

Uitspraak

17/3131 PW-PV en 17/3132 PW-PV
Centrale Raad van Beroep
Enkelvoudige kamer
Proces-verbaal van de mondelinge uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 7 maart 2017, 16/3765 en 16/3381 (aangevallen uitspraak)
Partijen:
[appellant] (appellant) en [appellante] (appellante), beiden te [woonplaats]
de Raad van bestuur van de Sociale verzekeringsbank (Svb)
Datum uitspraak: 16 oktober 2018
Zitting heeft: J.T.H. Zimmerman als voorzitter
Griffier: J.M.M. van Dalen
Namens appellanten is verschenen mr. S. el Mhassani, advocaat. De Svb heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. S. Herder en mr. N. Zuidersma.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.
Deze beslissing is uitgesproken in het openbaar. Zij is gebaseerd op de volgende overwegingen:
De bestreden besluiten zien op de opschorting en intrekking van de bijstand die appellanten ontvingen op grond van de Participatiewet (PW) in de vorm van een aanvullende inkomensvoorziening voor ouderen (AIO-aanvulling). De Svb heeft aan de bestreden besluiten ten grondslag gelegd dat appellanten, door hun CIN-nummers niet te overleggen, niet hebben meegewerkt aan het onderzoek en daarmee de op hen rustende medewerkingsverplichting als bedoeld in artikel 17, tweede lid, van de PW hebben geschonden. De bevoegdheid tot intrekking van de AIO-aanvulling heeft de Svb gebaseerd op artikel 54, eerste en vierde lid, van de PW, waarbij appellanten wordt verweten dat zij anderszins onvoldoende hebben meegewerkt als bedoeld in artikel 54, eerste lid, van de PW.
In zijn uitspraken van 26 maart 2018, ECLI:NL:CRVB:2018:806 en ECLI:NL:CRVB:2018:807 heeft de Raad geoordeeld dat de appellanten in die zaken, door hun CIN-nummers niet over te leggen, onvoldoende medewerking hebben verleend aan het onderzoek naar vermogen in Marokko en dat de Svb bevoegd was om met toepassing van artikel 54, eerste lid, van de PW het recht op AIO-aanvulling op te schorten en, na het verstrijken van de geboden hersteltermijn, met toepassing van artikel 54, vierde lid, van de PW in te trekken.
De gronden die appellanten in hoger beroep hebben aangevoerd zijn identiek aan de beroepsgronden die betrokkenen in de hiervoor genoemde zaken hebben aangevoerd. In deze uitspraken is de Raad gemotiveerd op die beroepsgronden ingegaan. De Raad ziet in wat namens appellanten ter zitting is aangevoerd geen aanleiding anders te oordelen. De Raad voegt hieraan nog toe dat voor zover is aangevoerd dat appellanten niet over een
CIN-nummer beschikken, deze beroepsgrond niet slaagt. De Raad verwijst hierbij naar rechtsoverweging 4.5.4 onderscheidenlijk 4.5.5 van de hierboven genoemde uitspraken. Hierin wordt verwezen naar de brief van de attaché voor sociale zaken in Marokko waarin staat dat iedere Marokkaanse staatsburger bij geboorte een CIN-nummer verkrijgt.
Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.
Waarvan proces-verbaal.
De griffier De voorzitter
(getekend) J.M.M. van Dalen (getekend) J.T.H. Zimmerman

IJ