ECLI:NL:CRVB:2018:329
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Afwijzing verzoek tot verlenging ontslagdatum en doorwerken na AOW-leeftijd op grond van vaststellingsovereenkomst
Appellant was werkzaam bij het Ministerie van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap en sloot op 11 april 2013 een vaststellingsovereenkomst waarin het ontslag op eigen verzoek per 1 december 2015 werd vastgelegd. Appellant verzocht later om verlenging van de ontslagdatum met 4,5 maand tot de AOW-leeftijd en om doorwerken na die leeftijd, maar deze verzoeken werden door de minister afgewezen.
De rechtbank verklaarde het beroep tegen deze besluiten ongegrond, stellende dat partijen gebonden zijn aan de vaststellingsovereenkomst tenzij sprake is van wilsgebreken of bijzondere omstandigheden die nakoming redelijkerwijs onmogelijk maken. Appellant slaagde er niet in dergelijke omstandigheden aannemelijk te maken, ook niet dat hij zich op dwaling kon beroepen.
In hoger beroep bevestigde de Centrale Raad van Beroep het oordeel van de rechtbank. De Raad benadrukte dat appellant juridisch bijstand had en voldoende geïnformeerd was over de gevolgen van de overeenkomst. Ook was niet gebleken dat de minister onrechtmatig had gehandeld door niet in te gaan op het verzoek om door te werken na de AOW-leeftijd.
De Raad concludeerde dat het hoger beroep niet slaagt en bevestigde de aangevallen uitspraak zonder toekenning van proceskosten.
Uitkomst: Het verzoek tot verlenging van de ontslagdatum en doorwerken na de AOW-leeftijd wordt afgewezen en de vaststellingsovereenkomst blijft ongewijzigd van kracht.