ECLI:NL:CRVB:2018:3294
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging intrekking en terugvordering bijstand wegens niet verstrekken verblijfplaats
Appellante ontving bijstand op basis van de Participatiewet en stond ingeschreven op een bepaald uitkeringsadres. Na sluiting van de woning op dat adres onderzocht het dagelijks bestuur de rechtmatigheid van de bijstand, waarbij appellante werd uitgenodigd voor gesprekken om haar nieuwe verblijfplaats te melden. Appellante verscheen niet en verstrekte geen informatie.
Het dagelijks bestuur schortte de bijstand op en trok deze later in met terugvordering van de kosten over de periode dat zij niet meer op het uitkeringsadres kon verblijven. Appellante maakte bezwaar tegen deze besluiten, maar de rechtbank verklaarde het beroep grotendeels ongegrond. In hoger beroep voerde zij onder meer onzorgvuldigheid en het vertrouwensbeginsel aan.
De Raad oordeelde dat appellante haar mededelingsplicht had geschonden door niet te melden dat zij niet meer op het uitkeringsadres verbleef. Het dagelijks bestuur had voldoende gedaan om informatie te verkrijgen. Het beroep op het vertrouwensbeginsel faalde omdat geen ondubbelzinnige toezeggingen van het bevoegd orgaan waren gedaan. Het hoger beroep werd verworpen en de aangevallen uitspraak bevestigd.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt de intrekking en terugvordering van bijstand wegens het niet verstrekken van informatie over de verblijfplaats.