Uitspraak
17.3615 PW
29 maart 2017, 16/8495 (aangevallen uitspraak)
Centrale Raad van Beroep
Appellante ontvangt sinds 2011 bijstand en werd onderzocht naar aanleiding van een melding van de Financial Intelligence Unit over niet-gemelde geldtransacties ('money transfers') in 2012 ter waarde van €11.912.
Het college van burgemeester en wethouders van Den Haag trok de bijstand over vijf maanden in en vorderde €5.619,25 terug wegens het niet melden van deze transacties, wat een schending van de inlichtingenverplichting vormt. De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond.
In hoger beroep ontkent appellante de transacties te hebben verricht en stelt zij slachtoffer te zijn van identiteitsfraude, waarvoor zij aangifte deed. De Raad oordeelt echter dat het college voldoende aannemelijk heeft gemaakt dat appellante betrokken was bij de transacties, mede omdat zij geen overtuigend tegenbewijs leverde.
De aangifte identiteitsfraude werd pas gedaan na confrontatie met het college en leidde niet tot aanwijzingen van een andere dader. Appellante kon informatie opvragen bij Western Union maar deed dit niet. De Raad bevestigt daarom het bestreden besluit en wijst het hoger beroep af.
Uitkomst: De intrekking en terugvordering van bijstand wegens niet-gemelde geldtransacties wordt bevestigd.