ECLI:NL:CRVB:2018:3355
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Beoordeling arbeidsongeschiktheid en geschil over beperkingen in WIA-uitkering
Appellante is arbeidsongeschikt geraakt door diverse lichamelijke klachten en heeft een WIA-uitkering aangevraagd. Het UWV stelde vast dat zij geschikt is voor haar eigen werk en dat haar arbeidsongeschiktheid minder dan 35% bedraagt. Appellante maakte bezwaar en beroep tegen deze beslissing en stelde dat haar beperkingen ernstig werden onderschat, mede vanwege een vitamine B12-tekort en allergie voor kobalt.
De rechtbank oordeelde aanvankelijk dat het UWV onvoldoende aandacht had besteed aan het mogelijke verband tussen het vitamine B12-tekort en de klachten van appellante, maar stelde het UWV in de gelegenheid dit te herstellen. Na nadere rapportages van verzekeringsartsen werd het beroep alsnog gegrond verklaard maar de rechtsgevolgen van het besluit in stand gelaten.
In hoger beroep werd een onafhankelijke verzekeringsarts als deskundige benoemd, die concludeerde dat er geen aanwijzingen zijn voor beperkingen die verder gaan dan eerder vastgesteld. De deskundige motiveerde dit uitgebreid en hield rekening met alle medische informatie, waaronder de verhoogde MMA-waarden en inspanningstests.
De Raad volgde het deskundigenrapport en vond geen reden om een andere deskundige in te schakelen. Het hoger beroep van appellante werd afgewezen en het verzoek tot schadevergoeding werd geweigerd. De uitspraak bevestigt dat de mate van arbeidsongeschiktheid minder dan 35% blijft en dat appellante geschikt is voor haar werk en de geselecteerde voorbeeldfuncties.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt afgewezen en het verzoek tot schadevergoeding wordt geweigerd; de mate van arbeidsongeschiktheid blijft minder dan 35%.