ECLI:NL:CRVB:2018:3377
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Beëindiging Ziektewetuitkering na zorgvuldige WIA-beoordeling bevestigd
Appellante was werkzaam als administratief medewerkster en meldde zich ziek wegens pijnklachten en krachtverlies in handen en polsen. Na een periode van ziekte ontving zij een Ziektewetuitkering. Het UWV stelde vast dat zij per 8 december 2015 niet langer recht had op deze uitkering omdat zij minder dan 35% arbeidsongeschikt was en geschikt werd geacht voor ten minste één van de geselecteerde functies, waaronder schadecorrespondent.
Appellante voerde in hoger beroep aan dat het medisch onderzoek onzorgvuldig was en dat haar beperkingen, waaronder psychische klachten, rug- en herniaklachten, astma en diabetes, onvoldoende waren meegewogen. Zij stelde zich ongeschikt voor de functie en vreesde ziekteverzuim.
De Raad oordeelde dat het onderzoek door de verzekeringsartsen zorgvuldig en volledig was, inclusief dossieronderzoek en lichamelijk en psychisch onderzoek. De klachten van appellante waren bekend en meegenomen in de beoordeling. Er was geen aanleiding om te twijfelen aan het medische oordeel van het UWV. Nieuwe medische gegevens werden niet overgelegd.
De Raad volgde het oordeel van de rechtbank dat appellante, ondanks haar beperkingen, in staat is de functie van schadecorrespondent te vervullen. Informatie uit de WMO-procedure bracht geen verandering in dit oordeel. Het hoger beroep werd ongegrond verklaard en de uitspraak van de rechtbank bevestigd.
Uitkomst: De Ziektewetuitkering van appellante is terecht beëindigd omdat zij geschikt is voor de functie van schadecorrespondent.