ECLI:NL:CRVB:2018:3396
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Afwijzing bijzondere bijstand voor ooglaserbehandeling op grond van buitenwettelijk begunstigend beleid
Appellant vroeg bijzondere bijstand aan voor de kosten van een ooglaserbehandeling, welke werd afgewezen door het college van burgemeester en wethouders van Maastricht. Het college baseerde de afwijzing op artikel 15 van Pro de Participatiewet, waarbij de Zorgverzekeringswet als voorliggende voorziening werd aangemerkt. Omdat ooglaserbehandelingen niet in het Besluit Zorgverzekering zijn opgenomen, worden deze kosten als niet noodzakelijk beschouwd en komen zij niet voor bijzondere bijstand in aanmerking.
De rechtbank verklaarde het beroep van appellant ongegrond, stellende dat het beleid van het college niet de gerechtvaardigde verwachting gaf dat de kosten vergoed zouden worden. In hoger beroep stelde appellant dat het collegebeleid wel ruimte bood voor bijzondere bijstand bij medische kosten die niet volledig door andere voorzieningen worden vergoed. De Raad oordeelde echter dat het door appellant overgelegde document geen beleid bevatte, maar slechts algemene informatie, en dat het werkelijke beleid bestond uit richtlijnen die als buitenwettelijk begunstigend beleid gelden.
De Raad concludeerde dat het college dit beleid consistent heeft toegepast door de aanvraag af te wijzen. Tevens stelde de Raad vast dat het college appellant in eerste aanleg onjuist heeft geïnformeerd over het toepasselijke beleid, waardoor appellant onnodige kosten heeft gemaakt. Daarom werd het college veroordeeld tot vergoeding van proceskosten en griffierecht. Het hoger beroep werd afgewezen en de aangevallen uitspraak bevestigd.
Uitkomst: De afwijzing van bijzondere bijstand voor de ooglaserbehandeling wordt bevestigd en het college wordt veroordeeld tot vergoeding van proceskosten en griffierecht.